Waterschip NP40

Waterschip NP40

Plaats: Ens

Locatie: Redeweg, kavel NP40

Maker:

materiaal: eikenhout

Jaar: 16e eeuw


Beschrijving:

Bij het draineren van kavel NP40, nabij de oostkust van Schokland, werd in mei 1947 een wrak aangetroffen. Na verkenningen werd het gereserveerd voor nader onderzoek. Van 2 - 13 augustus 1950 werd het schip opgegraven onderleiding van Gerrit van der Heide, archeoloog bij de Directie Wieringermeer. Om de opbouw van de grondlagen te bestuderen werd de opgraving uitgevoerd met behulp van de aangepaste kwadrantenmethode. Uit het bodemprofiel bleek dat dit deel van de Zuiderzee nog zoet water bevatte tot de 17e eeuw. Talrijke zoetwaterschelpen werden gevonden in de afzetting waar het schip doorheen gezakt was. Hieruit kon worden afgeleid dat de invloed van de IJssel hier destijds nog zeer groot was. Pas veel hoger in het grondprofiel kwamen schelpen van brak- en zoutwater voor. Uit het onderzoek kon worden opgemaakt dat het schip voor 1600 is vergaan. 

Na het bodemonderzoek werd het wrak blootgelegd. Het betrof hier een waterschip waarvan de gaatjes in de wanden van de bun dichtgemaakt waren met kleine, gevleugelde ijzeren pennen. De aanzienlijke hoeveelheid zwerfstenen aan boord, veel meer dan alleen maar ballast, maakte duidelijk dat dit een lading stenen betrof. De 550 stenen, met een geschat gewicht van 11.000 kg, zijn onderzocht door amateur-geoloog Pieter van der Lijn. Hij vermoedde dat deze stenen afkomstig waren van de noordwestkust van Denemarken. Getuige de rijkdom aan gesteenten die typisch zijn voor het gebied rondom Oslo (Oslo gesteenten) als rhombenporfieren, tuffen en dergelijke blijkt dat ze vandaar met grotere pinasschepen of andere scheepstypen naar de Republiek der Verenigde Nederlanden zijn verscheept, waar ze overgeladen werden in kleinere Zuiderzeeschepen. Gezien hun formaat van 20 - 50 cm, de ronde vorm en hun hardheid, kunnen de stenen bestemd zijn geweest voor de dijkbouw. De lading bevatte dezelfde Noordelijke zwerfstenen, die men overal langs de kust van Schokland tegenkwam. Hieruit blijkt dat reeds in de 16e eeuw aanvoer van zwerfkeien ten behoeve van de dijkbouw plaatsvond. De kleine steentjes konden gebruikt worden als straatplaveisel. In vroeger tijden vond men in tal van Zuiderzeestadjes de typische keienstraatjes van aangevoerde zwerfsteentjes. Op grond van de dichtgemaakte bun vermoedden de onderzoekers dat het visserschip zijn oorspronkelijke functie had verloren en als vrachtschip een lading zwerfstenen vervoerden voor dijkverzwaring. Kort voordat het waterschip verging moet het nog gevist hebben op het zoete water. Onder de lading zwerfstenen werden skeletten gevonden van kleine baarsachtigen zoetwatervissen waarvan de kop, de schubben en de vinnen nog goed herkenbaar waren. Daarnaast zijn er grote schubben van vissen van forser formaat aangetroffen.

De woonruimte bevond zich in het achterschip, achter de bun. Hier werd op een lading keien een stookplaats gevonden die bestond uit een houten bekisting van 90 x 90 x 30 cm. De inhoud bestond uit zand en was afgedekt met tegels van 13 x 13 x 2,5 cm. De tegels vormden een vloertje waarop het vuur kon worden gestookt. Tussen de lading stenen werden stukken van twee geglazuurde steelpannen, van een ten dele geglazuurde kookpot op knobbelvoetjes en van een test gevonden en ook een schoen en enkele scheepsbouwwerktuigen: een breeuwhamer, een nijptang, haalmes en een paar pikhaken. Volgens deze vondsten moet het schip nog in de 16e eeuw gevaren hebben. Omdat het waterschip vele reperaties had ondergaan vermoeden de onderzoekers dat het schip in de 15e eeuw gebouwd werd. Er zijn verschillende onderdelen die op een vroege bouw wijzen.

Het schip had een lengte 15,50 m en een breedte van ruim 5 m en was gebouwd op een kielplank van 12,85 m lang. De breedte van de kielplank was 37 cm bij de voorsteven en versmalde naar de achtersteven nauwelijks. De dikte verminderde geleidelijk van 19 cm voor tot 9 à 10 cm achter. De boorden waren overnaads gebouwd en om de 10 cm bespijkerd, zodat talloze dikke spijkers aan de buitenwand te zien waren. De ijzeren spijkers waren vierkant en met de hand gesmeed. Als breeuwsel was mos gebruikt en op een enkele plek ook koehaar. De liggers en spanten waren allemaal met houten pennen aan de huid bevestigd, alleen enkele wegeringen waren met platgeklopte spijkers vastgemaakt. Het schip was dus niet helemaal van een binnenbetimmering voorzien. De voorsteven was op een merkwaardige manier aan de kielplank vastgemaakt. Dicht achter het ondereinde van de voorsteven was een ruw spoor voor de mastkoker geplaatst, maar zo ver naar voren dat de mogelijkheid bestaat dat er nog een tweede mast aanwezig was. Zoals het schip gevonden was, met stenen op de plaats van de mastkoker, kan het niet gezeild hebben. Daarom veronderstellen de onderzoekers dat het waterschip geboomd of gesleept werd door een zeilschip. Er waren meer aanwijzingen die deze veronderstelling rechtvaardigen. 

Zie ook: verganeschepen.nl

Bronnen: Werkdocument 1984-209 Awb van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, De Heerenveensche Koerier, 31 juli 1950, Scheepsarcheologie in Nederland en Scheepsopgraving en geologie.

Laatste Update maandag, 22 juni 2020