Scheepswrak NR43

Scheepswrak NR43

Plaats: Marknesse

Locatie: Oosterringweg, kavel NR43

Maker:

materiaal: eikenhout

Jaar: 17e eeuw


Beschrijving:

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden in de Noordoostpolder duizenden kilometers greppels en sloten door de polderwerkers met de hand gegraven. In de periode 1946 tot 1955 werden de greppels vervangen door keramische drainagebuizen. In de zomer van 1948 werd bij het graven van een drainagesleuf op kavel NR43, ten zuidwesten van de Oosterringweg bij Marknesse, een scheepswrak gevonden. In oktober van dat jaar werd de NR43 door de afdeling scheepsarcheologie van Rijkswaterstaat opgegraven. Een scheepswrak wordt altijd genoemd naar de vindplaats. De N staat voor Noordoostpolder en R43 is de kavel waar het schip gevonden is. Uit bodemonderzoek bleek dat het schip tussen 1650 - 1700 gedateerd kon worden. Deze datering werd bevestigd door de vondst van onder andere een Duitse baardmankruik.

Het eikenhouten, platboomd schip was 16,40 m lang, 3,54 m breed en had een holte van 1,10 m. Waarschijnlijk was het een Hoogeveense praam van 2 dagwerk, oftewel het aantal turven dat één turfploeg in twee dagen kon produceren. Eén dagwerk turf was ongeveer 9000 kg of 10.000 turven. De lading van de NR43 legt een link naar Nordhorn, waar ook Hoogeveense pramen vandaan kwamen. Uit Hoogeveense bronnen is bekend dat Nordhornse pramen daar werden ingevoerd, door plaatselijke handelaren. De lading bestond uit 14 bekapte blokken Bentheimer zandsteen met afmetingen tussen de 90 - 150 cm lang, 50 - 80 cm breed en 31 - 50 cm dik. Twee blokken hadden ruw uitgekapte steenhouwersmerken. De gemerkte stenen zijn met zekerheid afkomstig uit de groeven van Gildehaus. De steenhouwersmerken werden ook elders aangetroffen aan gebouwen uit de 16e eeuw. Het linker steenhouwersmerk, een vierkant dat gedeeld is door een kruis, komt voor in de Oude Kerk in Delft, de Sint Lievenmonsterstoren in Zierikzee en de St. Pechelmuskerk in Oldenzaal. Het rechter merkteken is aangetroffen in het voormalig postkantoor, Kerkhofstraat 4 in Hattem, de Annakerk in Gildehaus en het Klooster in Ter Apel.

Bron: Merk op Natuursteen
 
Gildehaus was het centrum van de winning van zandsteen, het belangrijkste exportproduct van de graafschap Bentheim, vlak over de Duitse grens bij Oldenzaal waar tot in de 18e eeuw Nederlands gesproken werd. De steenhouwers waren vaak ook metselaars en/of bouwmeesters. Het bouwseizoen liep van april tot oktober, in de winter werkten zij in de steengroeve. De zandsteen werd vanaf de late herfst tot in het vroege voorjaar vervoerd, waarbij de piek in december lag. Als de opdrachten uit de noordelijke Nederlanden kwamen werden de ruwe of bekapte blokken zandsteen met paard en wagen, de zogenaamde blokkar, van de steengroeve over de weg naar Nordhorn gebracht. Vandaar werden ze met platbodems, zoals potten, zompen of pramen, over de Overijsselse Vecht naar Zwolle getransporteerd. De Vecht is een regenrivier die destijds nog niet gekanaliseerd was, maar heel erg kronkelde. Al die bochten waren belemmerend en lastig voor de schippers. De reis van Nordhorn naar Zwolle duurde ongeveer 6 dagen. Vanwege de geringe diepgang van de rivier stopte het vaarseizoen in april. Zwolle verkreeg in 1438 het stapelrecht op de Vecht. Tegenover het Rodetorenplein, aan het Zwartewater, was een depot aangelegd. Daar werd de zandsteen in binnenvaartschepen overgeladen en vervolgens naar de eindbestemming vervoerd. In 'Werk en Merk van de Steenhouwer' lezen we dat in 1508/09 Aernt van Dalfsen 3 schepen Bentheimer steen voor de Dom in Utrecht vervoerde en in 1510 een zelfde aantal. In 1512 vervoerde Aernt Dalffszoon 8 schepen Bentheimer steen naar Utrecht. De schepen voeren over de Zuiderzee en de Utrechtse Vecht.

De winning van de Bentheimer zandsteen was vanaf de 11e eeuw het monopolie van de graven van Bentheim, die tot de 17e eeuw alle groeven in het graafschap bezaten. Op het hoogtepunt van de productie en handel rond 1600 waren er in het graafschap negen steengroeven in bedrijf. In 1616 kon de Zwolse koopman Joest Krull de groeven nog voor 13 vaten boter voor een jaar pachten. Maar vanaf 1640 waren het vooral de Hollandse ondernemers die deze handel beheersten. In 1646 gunde Graaf Ernst Willem van Bentheim, uit goede nabuurschap, nog een deel van de verkoop aan Zwolse steenhandelaren maar de grote contracten werden afgesloten met de Hollandse steenhandelcompagnie waardoor deze de beschikking over alle groeven in Gildehaus kreeg. De overname van de handel in Bentheimer steen door de Hollandse steenhandelcompagnie kan verklaard worden door de toenemende vraag en enkele grote, op stapel staande bouwprojecten. Hieronder was het nieuwe stadhuis op de Dam in Amsterdam waaraan vanaf 1648 gebouwd werd en waarvoor 4000 m³ zandsteen in blokken naar de hoofdstad moest worden vervoerd. Per jaar werd ongeveer 700 m³ steen afgenomen. De 'stapel' werd in 1656 door de Hollandse handelaren van Zwolle naar het gunstiger gelegen Hasselt verplaatst. Omdat in die tijd de Amsterdamse kooplieden grote bemoeienissen hadden bij de import van zandsteen uit Gildehaus is het waarschijnlijk dat de lading van de NR43 voor Amsterdam bestemd was. 

Het archeologisch onderzoek naar de NR43 is verricht door Gerrit Daniel van der Heide (1915-2006), die van oorsprong journalist was. Sinds 1946 was Van der Heide assistent van professor Van Giffen van de Rijksuniversiteit Groningen en belast met de scheepsarcheologie. Hij heeft de tonnage van de praam formeel nooit vastgesteld omdat hij informatie over het soortelijk gewicht mistte. De gezamenlijke inhoud van de 14 blokken Bentheimer zandsteen bedroeg iets meer dan 5,3 m³. Later kon het totaal gewicht berekend worden op 13,9 ton oftewel 13.900 kg. Het laadruim van de Nordhornse pramen mat ongeveer 30 m³. Aangenomen kan worden dat de praam niet op zijn uiterste beladen was, want dan zou de oversteek over de Zuiderzee nooit overwogen zijn. De lading zandsteen was bedoeld om de golfslag van de Zuiderzee, ook bij eventueel opstekende wind, te weerstaan.

In de praam werd een aardewerken bord en een kookpotje op drie pootjes aangetroffen. De baardmankruik en een vaatje, waarvan alleen het koperen kraantje er nog was, wezen met het kookpotje op meegenomen proviand. Het kookpotje werd onderweg op een vloertje van tegeltjes gezet. Als het brandhout dat er omheen lag aangestoken werd, kon het eten in het potje worden opgewarmd. Aan boord zijn ook enkele tegeltjes gevonden. Dat de schipper rookte bleek uit de vondst van een gedeelte van een pijpensteel.

Bronnen: 'Atlas van de Vecht', 'Merk op Natuursteen' door Dr. ing. H. Janse, Werk en Merk van de Steenhouwer door H. Janse en D.J. de Vries en 'Welkom aan boord, de standaard marktpraam van twee dagwerk' door Albert Metselaar.

De Bentheimer zandsteen uit de NR43 is verwerkt in het 'Leeuwenmonument' dat in 1952 op de Deel in Emmeloord is geplaatst. Nadat de leeuwen in januari 1964 door de gemeente van de Deel waren weggehaald diende de heer Togtema, pachter van kavel NR43, een verzoek in voor verkrijging van de 14 blokken zandsteen welke dienst deden als bekledingsmateriaal aan de sokkels van de leeuwen. De gemeente besloot het verzoek niet eerder in te willigen dan nadat er een definitieve beslissing omtrent het monument was gevallen. Nadat er twee leeuwen in Kraggenburg waren geplaatst werden de platen, die als bekleding van de sokkels gediend hadden, alsnog aan de heer Togtema ter beschikking gesteld. Bron: Gemeentearchief Noordoostpolder, NL-EoGANOP-bd-1, inventarisnummer 1006.
 

Laatste Update maandag, 19 november 2018