Waterschip NE160

Waterschip NE160

Plaats: Nagele

Locatie: Palenweg

Maker:

materiaal: eikenhout

Jaar: 16 eeuw


Beschrijving:

In 1954 werd op kavel NE160, ten westen van de Palenweg, melding gedaan een een scheepswrak. Nog datzelfde jaar werd een verkenning uitgevoerd en werd het wrak onderleiding van Gerrit van der Heide opgegraven. Ondanks het feit dat alleen het voorschip in de bodem werd aangetroffen kon worden vastgesteld dat het hier een waterschip betrof. In de 16e en 17e eeuw was het waterschip het meest kenmerkende vissersschip op de Zuiderzee. Een waterschip was zeer geschikt om met sleepnetten te vissen. De hiertoe benodigde trekkracht vereiste een flink zeiloppervlak en een goed gevormd, sterk gebouwd schip. Bij een zwakke constructie zou het schip uit elkaar worden getrokken. Het waterschip kenmerkte zich door een rechtopstaande, zeer licht gekromde voorsteven met aan de voorkant een enorme scheg. Naar achteren verliep de vorm in een gepiekt achterschip. De grote scheg en de geveegde piek zorgden er voor dat een waterschip geen zijzwaarden nodig had. Waterschepen varieerden in lengte tussen de 16 tot 20 m, waren 5,60 tot 6,20 m breed terwijl de holte van kiel tot bovenkant verschansing bijna 2,80 m bedroeg. Het waterschip was voorzien van een bun, een ruim gevuld met water, waarin de gevangen vis enkele dagen levend kon worden bewaard. Dit verklaart de naam. 

Bepaalde constructiekenmerken van de NE160 weken af van tot dan toe bekende, oudere waterschepen, die van voor 1530 dateren. Tussen 1500 en 1550 vond een overgang plaats van overnaadse bouw naar  karveel gebouwd. Overnaadse waterschepen werden op een kielplank gebouwd. Karveel gebouwde waterschepen zijn echter vanaf het begin van de zeventiende eeuw uitgerust met een kielbalk. De NE160 was een karveel gebouw schip op een kielbalk. De lengte werd geschat op 20,40 m met een maximale breedte van 6,10 m. Het dendrochronologisch onderzoekvan enkele monsters geeft aan dat de kapdatum van het hout na 1648 vastgesteld kan worden. De tegels van de stookplaats die zich in het voorschip bevond, zijn tussen 1640 en 1660 te dateren. Hieruit kan opgemaakt worden dat het schip rond die tijd gebouwd is. 

De Scheepshuid van de NE160 was op verschillende plekken hersteld. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het waterschip langere tijd in gebruik geweest is. In het opgravingsrapport staat te lezen dat "het ten gevolge van de betrekkelijke zwakte in de bunnen moet zijn doorgeknapt en uit elkaar gerukt". De bodem ten westen van Schokland had door de afslag van het eiland zeer wisselende waterdieptes. Het is goed mogelijk dat het sleepnet is blijven haken achter een obstakel dat zich op de zeebodem bevond.

Kijk voor meer informatie op MaSS. Bronnen: Opgravingsdocumentatie; Zien en weten; Rondom Schokland 2017 nr 4.