Zuidelijk Flevoland
Cultureel erfgoed in Zuidelijk Flevoland
Zuidelijk Flevoland was de derde polder die in het IJsselmeer werd aangelegd. Nadat de dijk rond Oostelijk Flevoland in 1956 gesloten was ontstond er een stagnatie van 2½ jaar in de bouw van de ringdijk voor Zuidelijk Flevoland. Geldgebrek was hiervan de belangrijkste oorzaak. De Deltawerken waren ter hand genomen en bovendien eiste het wegenbouwprogramma veel geld. Zodoende bleven slechts beperkte geldmiddelen over voor de Zuiderzeewerken. In maart 1959 werd met de dijkbouw van Zuidelijk Flevoland begonnen. De ringdijk werd in verschillende dijkvakken aangelegd en groeide gemiddeld 150 m per week. Op 15 september 1966 werd het 60 m brede en ca. 5 m diepe (laatste) gat in het dijkvak in het Oostvaardersdiep, tussen Lelystad en de werkhaven Pampus, gedicht. Het duurde uiteindelijk meer dan 8½ jaar voordat het laatste gat in de 70 km lange polderdijk nabij Harderwijk gesloten kon worden. Als sluitingsdatum voor het sluitgat bij de Knardijk werd 18 oktober 1967 aangehouden en Hare Majesteit Koningin Juliana werd uitgenodigd voor de officiele sluiting, maar die kon niet doorgaan. Op 16 oktober stak een flinke storm op, het sluitgat en de dijk liepen ernstige schade op. Het sluitgat, dat vóór de storm een breedte had van ongeveer 20 m, was door het opgestuwde water verbreed tot ruim 50 m. De bodem van het sluitgat was bovendien uitgediept. Het gat werd uiteindelijk op 25 oktober 1967 gesloten, zonder koninklijke belangstelling. Koningin Juliana stelde op 18 oktober wel gemaal De Blocq van Kuffeler in werking. Op 29 mei 1968 viel de 43.000 ha grote polder droog, het peil was toen gezakt tot 4,20 m beneden NAP.
In de jaren zestig waren er naast Almere nog enkele plaatsen in de Zuidelijk Flevoland gepland. Maar de ervaringen elders leidden tot wijzigingen van de plannen. Alleen Almere en Zeewolde zouden gebouwd worden. Bij de aanleg van de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland ging het vooral om landbouwgrond, bij Zuidelijk Flevoland speelde ook het maatschappelijke vraagstuk van de overvolle Randstad een rol. In de naoorlogse periode was de bevolking enorm gegroeid, waardoor behoefte bestond aan nieuw stedelijk gebied met goede verbindingen met de Randstad. Als oplossing werd een deel van Zuidelijk Flevoland gebruikt voor de aanleg van de stad Almere, die samen met Lelystad door het snelwegennet met de Randstad werd verbonden. Bij het ontwerp van de polder werd rekening gehouden met de schaalvergroting van de landbouw en de toename van het autobezit. Zo zijn Almere en Zeewolde op relatief grote afstand van elkaar gebouwd. Ook nieuwe opvattingen over het milieu drongen door in de polder; natuur en recreatie kregen ruimte aan de randen. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)
In de ondergrond van Zuidelijk Flevoland liggen sporen van bewoning uit de prehistorie en de Romeinse tijd. Uit de periode van de Zuiderzee zijn scheepswrakken in de bodem te vinden en in de Tweede Wereldoorlog zijn zowel geallieerde vliegtuigen als Duitse toestellen neergestort in het IJsselmeergebied waar later de polder Zuidelijk Flevoland is aangelegd.
Klik op de plaatjes om verder te gaan.




