Supermarine Spitfire Mk IX BS534

Supermarine Spitfire Mk IX BS534
Supermarine Spitfire Mk IX BS534 Supermarine Spitfire Mk IX BS534 Supermarine Spitfire Mk IX BS534

Plaats: Nagele

Locatie: Havenweg 6, kavel NE98

Maker: Vickers Armstrongs Ltd.

materiaal: verschillende materialen

Jaar: 1942


Beschrijving:

Het No.303 Fighter Squadron RAF werd op 2 augustus 1940 opgericht als onderdeel van een overeenkomst tussen de Poolse regering in ballingschap en het Britse gezag. Het Squadron werd bemand met piloten van de Poolse luchtmacht, die in het voorjaar en de zomer van 1940 in het kielzog van hun regering in Groot-Brittanië arriveerden. De Poolse piloten stonden tijdens de oorlog onder Brits bevel. Op 6 juni 1944, D-Day, vloog het Squadron meerdere keren op de stranden in Normandië om luchtoverwicht te veroveren en te behouden. Toen de Duitsers op 19 juni 1944 de eerste V-1 raketten afvuurden op Londen, als vergelding voor de niet aflaatbare stroom bombardementen van de geallieerden op de Duitse steden, werd het No. 303 Squadron gestationeerd op RAF Westhampnett en vervolgens op RAF Merston. Op 18 juli keerde zij terug op Westhampnett en werden uitgerust met Supermarine Spitfire Mk IX jachtvliegtuigen. Op 26 september verhuisde het Fighter Squadron naar RAF Coltishall in het Engelse graafschap Norfolk van waaruit het operaties uitvoerde op Duitse lanceerplaatsen van V1- en V2-raketten in Nederland.

Op 13 oktober 1944 steeg een formatie van het No. 303 Squadron om 13.00 uur op van Coltishall voor een lange afstandsvlucht. Boven Nederland kreeg de Spitfire Mk IX met serienummer BS534 en code RF-Y, die gevlogen werd door Sgt. Kazimierz Stankiewicz, motorpech. P/O Miroslaw Szelestowski, de leider van de eenheid, rapporteerde bij terugkomst op de basis het volgende: "Tijdens de vlucht boven de polder op 7000 ft (2143 m) hoogte, merkte ik dat één van de toestellen in de formatie was teruggevallen. Achter dit toestel was een lange sliert witte rook te zien en op dat moment zei Stankiewicz over de radio, dat hij ging landen omdat de motor niet meer functioneerde. Ik ben achter hem gaan vliegen en heb gezien dat hij een buiklanding maakte op geaccidenteerd terrein waar veel struiken stonden. In de omgeving was geen beter terrein en geen hulp van burgers. Na de landing heeft Stankiewicz via de radio gemeld dat alles in orde was en vroeg wat hij moest doen. Squadron leader P/O B.H. Drobinski heeft hem bevolen in zuidelijke richting te gaan". Verder vermeldde Szelestowski : "Dit vond plaats in de polder, 5 mijl (9 km) ten oosten van Urk om 15.15 uur".

Twee jonge mannen uit Kampen, L. Wit en H. van Putten, waren in de Noordoostelijke polder, zoals de Noordoostpolder toentertijd genoemd werd, aan het werk om aan de arbeitseinsatz in Duitsland te ontkomen. Zij hadden gezien dat de Spitfire ten westen van Schokland een noodlanding had gemaakt en schoten de geallieerde vlieger te hulp. Sgt. Stankiewicz werd naar opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee J.T. den Besten op de politiepost in Ramspol gebracht waar hij burgerkleding kreeg van T.H. Nieuwenhuis uit IJsselmuiden. Daarna werd de piloot achterop de fiets naar kamp Zwartemeer vervoerd dat tussen Ramspol en Kadoelen lag. Na enkele dagen werd hij ondergebracht in de Centrale werkplaats van de Directie Wieringermeer bij kamp Vollenhove. Op 18 oktober werd hij achterop een motorfiets naar Emmeloord gebracht, waar verzetsman Johan Lankwarden uit de regio Barneveld ook onder gedoken zat. De volgende avond werd Stankiewicz door een politieagent op de motor naar het huis van dominee Frederik ('Frits') Wubbo Tjadens (1912-1944) in Vollenhove gebracht waar hij overnachtte. De dag daarna ging hij naar notaris Jan Jacob Jelte van Kluyve (1904 - 1969). Het was de bedoeling Stankiewicz vanuit Vollenhove naar bevrijd gebied te laten vertrekken maar door verraad op de pilotenlijn kon dit niet doorgaan.

Na een verblijf van ongeveer twee weken bij notaris Kluyve werd Stankiewicz op 3 november door Wiebe Soetendal (1917-2011), die als onderofficier in de Noordoostpolder zat ondergedoken en onder de schuilnaam J. Dubois in het verzet districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten was, achterop de motor naar Ramspol gebracht. Samen met Wim Elzenga fietste Stankiewicz naar Kampen. Daar heeft hij op 6 verschillende adressen ondergedoken gezeten, waarvan de eerste week bij Elzenga. Op 13 februari 1945 verliet Sgt. Kazimierz Stankiewicz Kampen. Sinds de nationale spoorwegstaking, die op 17 september 1944 begon, was reizen per trein onmogelijk zodat de fiets het enig overgebleven vervoersmiddel was. Samen met Johan Lankwarden fietste hij naar de boerderij Doorn en Boom van de familie van Wijk in Wijk bij Duurstede, een trip van 11 uur. Op 3 maart keerde Lankwarden terug en begeleidde hem naar de hervormde predikant Jacobus Philippus van der Ros in Tull en t Waal. Vervolgens werd Stankiewicz op 10 maart door de vrouw van Johan Lankwarden, de koerierster Anna Maria Catharina Lankwarden-Kuijpers, en Tini de Groot naar Groot Ammers gebracht. Bij de Plofsluis, een bijzondere keersluis in het Amsterdam-Rijnkanaal, ontmoetten ze drie andere vliegers en hun begeleiders, met wie Stankiewicz verder reisde. Dit waren F/O. Paul Wright D'Albenas, een Canadese piloot die op 24 januari 1945 met zijn Typhoon MN452 motorpech kreeg en 2Lt. Jack Allen Murrell en 2Lt. Alvin Ray Kubly, die beide gewond raakten toen hun toestellen crashten bij de gevechten tijdens Operation Market Garden rond Arnhem in september 1944. Ze werden opgenomen in het St. Antonius Ziekenhuis in Utrecht en konden enkele weken later tijdens een georganiseerde ontsnapping het ziekenhuis verlaten. Bron: Utrechts archief. Na een paar uur op een boerderij in Schoonhoven te hebben doorgebracht, fietsten de vier vliegers verder naar de Lek. Vroeg in de avond kwamen ze aan bij het verzamelpunt voor hun eerste oversteek en staken met behulp van de Lek Groep de rivier over in een opblaasbootje. De groep werd in tweeën gesplitst. Stankiewicz en D'Albenas brachten de nacht door bij de familie Hakkesteegt in Groot-Ammers en de nacht daarna op de boerderij van de familie De Haan in Molengraaf. Aan het einde van de middag van 12 maart fietsten Stankiewicz en D'Albenas naar het huis van Kees en Zus van Woerkom in Sliedrecht, waar 2Lt. Murrell en 2Lt. Kubly zich weer bij hen voegden.

Aan het eind van de oorlog speelde de Biesbosch, toen nog een getijden gebied, een belangrijke rol in het verloop van de bevrijding. Vanaf november 1944 kwam de Biesbosch tussen de linies van de Duitsers en de geallieerden te liggen. De communicatie tussen het al bevrijdde Noord-Brabant en het bezette Holland werd door 21 zogenaamde linie-crossers van de spionagegroep Albert in stand gehouden. Zij staken de frontlijn langs de Amer en de Bergsche Maas meer dan 370 keer over. Dwars door de wirwar van kreken, grienden, rietvelden en bossen in de Biesbosch bereikten geallieerde piloten, personen met belangrijke regeringsopdrachten, agenten met geheime zenders en mensen die in het bezette gebied in levensgevaar verkeerden, de geallieerden in het bevrijde gebied. De eerste cross-line vertrok van Werkendam door de Biesbosch naar Drimmelen in Brabant. Nadat de Duitsers een deel van de cross-route te zwaar waren gaan bewaken ontstond een tweede route vanuit Sliedrecht naar Lage Zwaluwe dat ten westen van Drimmelen ligt. De overtochten vonden plaats in maanloze nachten in roeibootjes en kano's. Een overtocht, die 3 tot 5 uur duurde, werd het liefst bij slecht zicht en slecht weer uitgevoerd om de kans op ontdekking tegen te gaan. 

Het huis van de familie van Woerkom aan de Rivierdijk in Sliedrecht was het vertrekpunt van de ontsnappingsroute via de Biesbosch naar het bevrijde zuiden. Om 5 uur 's middags stapten de vier vliegers aan boord van een roeiboot met een Nederlander die zich voorstelde als 'Skipper'. Bij de Nieuwe Merwede aangekomen, wachtte de 'Skipper' tot half acht en roeide toen stroomafwaarts richting het Hollands Diep. Daar aangekomen, sloeg de boot linksaf en stak de Amer over naar de overkant, waar ze rond kwart voor elf 's avonds aankwamen in de haven van Lage Zwaluwe. 

In bevrijd gebied vertelde Sgt. Kazimierz Stankiewicz zijn verhaal aan de IS9, de uitvoerende tak van de MI9, de Britse militaire inlichtingendienst sectie 9, die verantwoordelijk was voor hulp aan het verzet in de door de Duitsers bezette gebieden. Daarnaast was de afdeling verantwoordelijk voor het terughalen van geallieerde soldaten en piloten die achter de Duitse linies waren terechtgekomen. Op 13 maart 1945 heeft IS9 een rapport opgemaakt waarin Stankiewicz meldde: "Noodlanding in hoog gras: ik koos een plek uit en maakte een noodlanding met het toestel. Ik dacht dat het vlak land was, maar het bleek drooggevallen grond met hoog gras van zeker 2 meter. Afgezien van dat ik mijn schouder had gestoten was ik ongedeerd. Ik probeerde het vliegtuig in brand te steken, maar ik kon geen brandbommen vinden. Ik gooide mijn parachute, harnas en vliegersjack verderop in het hoge gras, liep een stuk van het vliegtuig vandaan en ging een sigaret zitten roken". "Contact met burgers: Even later kwamen twee Nederlandse jongens naar mij toe, die mij hadden zien landen. Ik zei ze dat het OK was. Zij brachten mij naar een politiebureau iets verderop, waar ik wat kleren van een politieman kreeg. Nadat ik mij had omgekleed namen de jongens mij mee naar een werkplaats waar ik vijf dagen bleef".

Op de website 'Schokland door de eeuwen heen' staat het volgende te lezen: "Ten zuiden van Emmeloord was een Duitse luchtwachtpost gevestigd, die bemand was door een aantal Oostenrijkers. Deze tot Duitse dienst gedwongen mannen waren bijna even oud als het eiland. Ook verder pasten ze zich wonder goed aan bij de polder. Ze hadden een even grote hekel aan Herr Hitler als de andere polderbewoners. Een voor hun voeten neergestort vliegtuig ontdekten ze pas als de vlieger was gevlucht. Vliegtuigen trachtten vaak een noodlanding uit te stellen tot de rand van de rietzee. De bemanning was zeker van een goed onthaal en een gastvrije schuilplaats in het Nederlands Onderduikers Paradijs. Vaak waren, voordat de Duitsers ter plaatse waren, de voor de ondergrondse waardevolle artikelen als zender en bewapening verdwenen. Zo lag in die tijd direct achter Schokland een Spitfire-jager, die niet meer was dan een casco (beter een karkas) met motor".

De Noordoostpolder schreef in 1975 een reeks artikelen over neergestorte geallieerde vliegtuigen. In de krant van 7 april stond een reactie van een Kamper lezer die bijzonderheden wist te melden over de geallieerde jager die bij Nagele, waar nu de sportvelden zijn, zou zijn neergekomen. Hij schreef dat hij op een morgen bij deze plaats kwam en dat de jager op zijn kop in het veld stond. Er waren veel Duitsers bij. Men beweerde toen dat het een Pools vliegtuig geweest zou zijn. Zeer veel Duitsers zijn toen in het riet gaan zoeken, maar hebben nog de piloot nog wat anders verder kunnen vinden. Volgens onderzoeker Teunis Schuurman alias PATS klopt deze locatie niet. De BS534 is wat zuidelijker neergestort op kavel NE98 aan de Havenweg, 

Omdat de Poolse oorlogsvliegers na de Duitse capitulatie door de communistische machtsovername in hun vaderland al snel tot personae non gratae werden bestempeld vestigde Kazimierz Stankiewicz, geboren op 23 maart 1920 in Polen, zich in Australië waar hij op 7 juli 1989 op 69-jarige leeftijd overleed.

Bronnen: Wolter Noordman, schrijver van 'Ondergedoken op de Veluwe', met dank voor het toesturen van informatie waaronder de uit het Pools vertaalde rapportage van P/O Szelestowski, het Escape and Evasion (E&E) rapport d.d 13 maart 1945 van IS9 en de toestemming voor het gebruik van de foto van Stankiewicz met zijn helpers, de familie Lankwarden;  verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl. Bron foto 1-2; polishsquadronsremembered.com. Bron foto 3: 'Ondergedoken op de Veluwe'.