Boeing B-17G, 42-39856

Boeing B-17G, 42-39856
Boeing B-17G, 42-39856

Plaats: Emmeloord

Locatie: Muntweg 3, kavel NM44

Maker: Lockheed Vega

materiaal: diverse materialen

Jaar: 1942


Beschrijving:

In de ochtend van 8 april 1944 steeg de Boeing B-17G-VE Flying Fortress met serienummer 42-39856 en radiocode AW-G op van RAF basis Snetterton Heath (Norfolk, Engeland), de thuisbasis van de 96BG/337BS, 3rd Bomb Division van de 8th Air Force voor een missie naar Rheine, net over de Duitse grens. Het toestel met staart code Square S werd gevlogen door de 20-jarige piloot 2nd Lt. Russell H. Gecks. Square S was een markering op het kielvlak van de staart. Dit vierkant gaf aan dat het toestel tot de 3rd bomb Division behoorde, de letter W gaf de Bomb Group aan, in dit geval 96th BG. De bemanning bestond naast piloot Gecks uit de 22-jarige co-piloot 2nd Lt. Frank M. Deason, de 23-jarige navigator 2nd Lt. Peter V. Lovero, de 30-jarige bommenrichter S/Sgt. Leland F. Welch, de 22-jarige radiotelegrafist T/Sgt. Clifton E. Hanley, de 20-jarige assistent radiotelegrafist en buikkoepelschutter S/Sgt. Leon H. Rademacher, de 20-jarige topkoepelschutter T/Sgt. Richard Emerson Denny, de 21-jarige rechter zijluikschutter (stuurboordschutter) S/Sgt. Peter Edward Miskinis, de 26-jarige linker zijluikschutter (bakboordschutter) S/Sgt. Howard F. Jones en de 19-jarige staartschutter S/Sgt. Sam A. Polito. 

Boven het doelwit vliegveld Rheine Hopsten, kreeg de vier motorige bommenwerper op ca. 6300 m hoogte te maken met hevig luchtafweer (Flak). De linker binnenmotor viel uit, de propeller sloeg op hol en vloog eraf. Vervolgens viel de linker buitenmotor uit. Een B-17 kan op twee motoren geen hoogte houden. In de buurt van Salzbergen verzond de bemanning een noodsignaal. Ze vlogen terug naar het IJsselmeer. Op 3000 m boven de Noordoostpolder gaf de piloot opdracht het toestel te verlaten. 2nd Lt. Gecks sprong als laatste op ongeveer 2500 m. Het vliegtuig stortte om 14.00 uur brandend neer op kavel NM44 in de Noordoostpolder. Op 9 april 1944 rapporteerde de Groepscommandant der Marechaussee Vollenhove, J. Spa aan landdrost Sikke Smeding: "Op Zaterdag 8 April 1944, te omstreeks 14.00 uur, is in het openbaar lichaam 'de Noordoostelijke Polder' op een perceel grond kadastraal gemerkt M. 44, een vermoedelijk vier-motorige Amerikaanse bommenwerper neergestort, welke bij het neerkomen onmiddelijk in brand vloog.Terplaatse gekomen, zag ik, dat het toestel grootendeels op eerder genoemd perceel lag, juist op de oever van de Lemstervaart. Het toestel was geheel vernield. Ook zag ik brokstukken aan de overzijde van de Vaart op kavel G. 69 liggen, terwijl zich ook nog een deel in de Lemstervaart moet bevinden. Volgens ooggetuigen kwam het toestel aanvankelijk op kavel G. 69 terecht, doch verplaatste zich door zijn snelheid vervolgens naar kavel M. 44. Persoonlijke ongelukken hebben zich daarbij niet voorgedaan. Tijdens het neerstorten bleek zich niemand meer in het toestel te hebben bevonden. Door leden van de Duitsche Weermacht, gestationeerd te Urk, zijn 5 Amerikaanse vliegers, vermoedelijk behoord hebbende tot de bemanning van het neergestorte toestel, dien zelfden dag in de Noordoostelijke Polder, gearresteerd. Van de eventuele overige bemanning is niets bekent. Duitsche militairen die kort na het ongeval ter plaatse verschenen, hebben de wacht bij het betreffende toestel betrokken". Bron: Teunis Schuurman ('PATS').

De gesprongen bemanningsleden landden veilig in de buurt van Urk. 2Lt. Lovero, S/Sgt. Weich, S/Sgt. Rademacher, S/Sgt. Jones en S/Sgt. Polito werden door Duitse militairen van de luchtwachtpost Urk opgepakt en naar het ondervragingscentrum Dulag Luft bij Frankfurt gestuurd voordat ze geïnterneerd werden. Lovero werd krijgsgevangen gezet in Stalag Luft 1 in Barth, Noord-Duitsland en Weich, Rademacher, Jones en Pilito in Stalag Luft 17B bij de Oostenrijkse stad Linz aan de Donau (POW). Gecks, Deason, Denny, Hanley en Miskinis wisten aan gevangenschap te ontkomen (EVD). De bemanningsleden hadden opdracht gekregen, indien zij in bezet gebied neerkwamen, te proberen naar Engeland terug te keren. Hiertoe ontstond in bezet gebied de zogenaamde pilotenlijnen, die de geallieerde vliegers via georganiseerde ontsnappingslijnen naar Spanje hielpen te komen. Bij de ontsnappingsroutes waren vaak tientallen helpers betrokken.

Het aannemersbedrijf van Kingma speelde een sleutelrol in de pilotenhulp in de Noordoostpolder. Het bedrijf bouwde in opdracht van de Directie Wieringermeer boerderijen en woningen in de polder. De hoofdvestiging van het bedrijf stond in Leeuwarden met een timmerfabriek onder leiding van Harm Kingma. Daar kwamen de draden samen van de Friese Knokploeg (KP) onderleiding van de kopstukken Krijn van der Helm en diens opvolger Pieter Oberman. De broer van Harm, Marten Kingma vestigde zich in 1942 in Vollenhove. Naast het bedrijf woonden hoofduitvoerder Jacob (Jaap) Muller en zijn vrouw Grietje, de zuster van Marten en Harm Kingma. Een paar jaar voor hun huwelijk begon Jacob Muller als uitvoerder in het aannemersbedrijf van de Kingma’s. Toen de Duitsers in 1940 Nederland binnenvielen, was hij al 3 jaar directeur en medeaandeelhouder. Meindert Heidema en Klaas Bijlsma waren als chauffeurs in dienst bij het aannemersbedrijf. Ook zoon Frank Kingma vervoerde, aanvankelijk zonder rijbewijs, tal van geallieerde vliegers. Het bedrijf beschikte over drie personenauto's en twee vrachtwagens die in de grijze kleur van de Wehrmacht gespoten waren. Aan de voorzijde van de auto's werd vaak het bordje NOPolder geplaatst waarmee het aannemersbedrijf recht had over de polderwegen te rijden. In de polder zelf woonden de uitvoerders Klaas Damstra en Piet Sandra. Zij kenden de boeren en kampbeheerders die betrouwbaar waren. Op deze manier kon de hulp aan bemanningsleden van geallieerde toestellen georganiseerd worden. De weg naar het oude land voerde altijd langs Duitse controleposten. Soms duurde het dagen of zelfs weken voordat men de omstandigheden gunstig genoeg oordeelde om de vliegers de polder uit te krijgen. Dan werden de vliegers naar een boerderij of kamp gebracht in afwachting van hun vertrek uit de polder. In Vollenhove werden de vliegers vooral ondergebracht bij Marten Kingma, Jacob Muller, Kingma's notaris mr. Jan Jacob Jelte van Kluyve of bij Evert van der Linde, kassier van de Boerenleenbank in de Moespot. Vanuit Vollenhove werden ze onder het mom van lifters verder geholpen naar Meppel. Eén van de chauffeurs kreeg van Kingma opdracht een vrachtje naar Meppel te rijden. Onderweg stonden dan een paar mensen langs de kant van de weg die meegenomen moesten worden. Bron: Veerkracht en Volharding.

Piloot Russell H. Gecks en zijn bemanningsleden Frank M. Deason, Richard Emerson Denny en Clifton E. Hanley zijn door de groep Vollehove uit de polder geholpen. De nacht van 8 op 9 april sliepen ze in een verlaten huis en werden de volgende ochtend door twee mannen van het verzet naar kamp Espelerbocht gebracht waar ze te eten kregen. Vervolgens zijn ze op de fiets naar Marknesse gereden waar ze burgerkleding kregen. Vandaar werden ze naar Vollenhove gebracht waar ze tot 13 april verbleven. Er werd een foto van ze gemaakt en ze kregen een vals persoonsbewijs. Gecks en Deason werden op de zolder bij Kingma onder gebracht, de andere twee in een safe-house in de buurt. De geallieerde bemanningsleden die in het grote woonhuis van Kingma overnachtten, werden op een slaapkamertje boven in het huis of op de zolder van de timmerwerkplaats verborgen omdat de jongste dochter van het gezin niet mocht weten wat haar ouders voor gasten in huis hadden. Vanuit Vollenhove zijn de vier met een auto van het bouwbedrijf naar Meppel vervoerd waar ze werden overgedragen aan de Nederlandse verzetsstrijder Peter Jan van den Hurk van de Meppeler KP, die ze vervolgens in een overvolle trein naar Zwolle bracht. Op 20 april bracht Van den Hurk hen met de trein naar Midden Limburg waar ze 3 dagen op een boerderij in Linne onderdoken voor ze naar Maastricht werden gebracht. Daar verbleven ze een week bij Albert en Maria Bekker in de Maastrichtse Broodfabriek (MABRO). Om infiltratie van de pilotenlijn door de Duitsers tegen te gaan moesten de gegevens van de bemanningsleden gecontroleerd worden. Dat gebeurde aan de hand van een lijst met vragen over de identiteit en militaire gegevens die uitgebreid konden worden met vragen die normaliter alleen door een inwoner van het geallieerde land konden worden beantwoord. Maar er werden ook vragen gesteld zoals wie z'n naaste buren in z'n woonplaats waren en hoe de naam van z'n moeder was. De verkregen gegevens werden naar Londen verzonden ter verificatie. Nadat hun identiteit gecontroleerd was werden Gecks, Deason, Denny en Hanley door de Sint Pietersberg naar België geleid. Op 1 mei gingen ze in Maastricht de berg in en kwamen er in Petit-Lanaye op Belgisch grondgebied weer uit. Daar stonden medewerkers van de Belgische Nationale Beweging (BNB) klaar om hen over te nemen. De groep werd van elkaar gescheiden. Gecks en Denny verbleven van 5 tot 10 mei op een boerderij bij Luik. Vervolgens vinden ze onderdak in Slins waar ze tot 6 juni verbleven. Daarna gaan ze naar Fraipont. Denny gaat op 13 juni naar Rocout waar hij tot de bevrijding bleef. Russell H. Gecks trok door richting Parijs, maar moest terugkeren naar de Ardennen waar hij in een pilotenkamp bij Bagimont, vlakbij de Franse grens, werd ondergebracht. Omdat de route naar het zuiden na de invasie in Normandië op 6 juni geblokkeerd was, moesten Gecks, Deason, Hanley en Denny noodgedwongen in de omgeving van Luik de bevrijding afwachten. Russell H. Gecks verliet, in strijd met de instructies, op eigen initiatief op 21 augustus het pilotenkamp en trok de bevrijders tegemoet. Gecks werd op 30 augustus nabij Reims bevrijd door de 7e Amerikaanse pantserdivisie. Op 1 september 1944 werd hij in het hoofdkwartier van het 3e leger van generaal George Patton door IS9 ondervraagd en op 3 september keerde hij met het vliegtuig terug in Engeland. De regio Luik werd op 6 september bevrijd. Frank M. Deason en Clifton E. Hanley vlogen op 11 september naar Engeland. Richard Emerson Denny werd als laatste op 13 september teruggevlogen naar Engeland. Bronnen: ZZAirwar en evacioncomete.be.

De 21-jarige Peter E. Miskinis landde op het stenen talud van de dijk van de Noordoostpolder, ongeveer drie kilometer ten noorden van Urk. Hij kwam nogal hard neer en bezeerde zijn benen. Toen hij om zich heen keek om de omgeving nader op te nemen, zag hij twee mannen op de dijk fietsen. Met een gebaar gaven zij hem te kennen dat hij zich moest verbergen. Na zijn parachute verstopt te hebben, verschool hij zich in het hoge riet. Tegen de avond kwamen de mannen terug en brachten Miskinis te voet naar Urk. Daar werd hij bij Pieter Hakvoort gebracht. Bij de familie Hakvoort verbleef Peter twee dagen. Op de avond van 10 april, tweede paasdag, werd hij ondergebracht bij Piet Brouwer die samen met zijn vrouw Nellie een zaak in kruidenierswaren en galanterieën dreef. Drie weken bleef Peter Miskinis bij het echtpaar. Hij was alleen en viel niet op. Aangezien er niet naar hem gezocht werd, hield hij zich niet nadrukkelijk verstopt. Hij nam normaal deel aan het gezinsleven van de Brouwer's. Een enkele keer maakte hij 's avonds, gekleed in een overjas en met een alpinopet van Piet Brouwer op, een wandeling. Om veiligheidsredenen werd echter besloten dat Miskinis naar een andere plaats gebracht zou worden. Urk vormde nu eenmaal een kleine gemeenschap met te beperkte mogelijkheden om een onderduiker van dit kaliber langer een schuilplaats te verschaffen. Via de in Zaandam wonende oud Urker Harm Gerssen, zwager van Harm Kramer, was er regelmatig contact met de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO), waarin enkele Zaankanters leidende posities bekleedden. Miskinis zou overgebracht worden naar de Zaanstreek. De nacht van zijn vertrek werd door Cees Koffeman, die op het gemeentehuis werkte, een vervalst persoonsbewijs op naam van Jacob Pothoven gemaakt.
Harm Kramer bracht Miskinis, samen met zijn vriend Lub Hoekman, op 4 mei 1944 weg. Om half zes in de ochtend voer de sleepboot Albert I van de fa. Hoekman de haven van Urk uit. In het schip was een onderduikgelegenheid gebouwd, zodat men bij een eventuele aanhouding kon wegkruipen. Het was nog donker en bovendien vrij mistig. Peter Miskinis bevond zich bij Harm Kramer in de stuurhut. Zwijgend rookten de mannen een sigaret. Van een conversatie kwam niet veel terecht. Wel probeerde de schipper zijn passagier althans twee woorden Nederlands te leren, namelijk zijn valse naam Jacob Pothoven. Als hij die redelijk kon uitspreken, moest zijn Amerikaanse accent doorgaan voor een Urker tongval. Omstreeks negen uur voeren ze ter hoogte van Marken en werd hun aandacht getrokken door overvliegende Amerikaanse vliegtuigen. Tegen een uur of tien naderde ze Amsterdam, via het IJ voeren ze de Zaan op, passeerden de Hembrug en arriveerden rond half elf in de haven van Zaandam. Kramer begaf zich naar het adres waar zich volgens afspraak een koerierster zou bevinden, die voor verder vervoer zou zorgen. Dat was mevrouw Nel Freekman-Rot, een weduwe die, omdat ze verpleegster was, bekend stond als zuster Rot. Samen met Harm Kramer fietste ze naar de haven, waar ze Miskinis oppikte en met hem per fiets vertrok naar haar zuster in de Oud Heinstraat in Zaandijk. Peter Miskinis bleef tot de bevrijding in 1945 bij de familie U.F. de Koning-Rot. Bron: Urker Volksleven april 1990 en Sporen aan de hemel van Ab. A. Jansen

Ruim een uur na de crash van de B-17G, 42-39856 op 8 april 1944 stortte ten oosten van Schokland een tweede bommenwerper neer, de B-24J 'Old Hickory'.

Bekijk ook: FlevolandsgeheugenNop in oorlogstijd en Canon de Noordoostpolder paal 18 NOP. Lees hier meer over het verzetswerk van Marten Kingma.

N.B. In sommige teksten wordt geschreven dat het toestel de bijnaam Wacky Woody had, maar dat wordt nergens bevestigd. Waarschijnlijk heeft de B17G, 42-39856 nooit een bijnaam gehad.