Vuurtoren

Vuurtoren
Vuurtoren Vuurtoren Vuurtoren Vuurtoren Vuurtoren

Plaats: Urk

Locatie: Wijk 3-80

Maker: Leendert Valk

materiaal: baksteen

Jaar: 1844


Beschrijving:

Op het meest westelijke- en hoogste punt van het voormalig eiland Urk bevindt zich de vuurtoren. Dit hoge gedeelte, de keileembult, is een erfenis uit de ijstijd. De drukke vaart over de Zuiderzee deed de Staten van Holland in 1617 besluiten een vuurbaak op Urk te bouwen, een vierkante toren met een ijzeren korf waarin een kolenvuur brandde. Naast de vuurbaak verrees ook een woning, voor de bediende, zoals de 'vuurstoker' werd genoemd. De Amsterdamse burgemeester Witsen liet de vuurbaak op Urk bouwen. De stichtingssteen in het lichtwachtershuis is afkomstig uit de allereerste vuurbaak en draagt het volgende opschrift: “In het jaar 1617 heeft de Wel. Ed. Gr. Achtb. Heer Gerrit Jacob Witsen, burgemeester dezer steeds uit last van de Ed. Gr. Mog. Heren Staten een vuurbaken op Urk doen stellen en is den eersten September dezes jaars de eerste vuring gedaan”. De schepen die Urk passeerden moesten bijdragen in de kosten van het vuur. Het tarief van het vuurgeld werd bepaald op een oort, een vierde deel van een stuiver.

Amsterdam had belangstelling voor Urk vanwege zijn ligging aan de drukke scheepvaartroute over de toenmalige Zuiderzee. Met de Urker vuurboet verstevigde de stad haar positie. Op 4 oktober 1660 kocht Amsterdam het leenrecht over Urk van de Staten van Holland omdat het behoud van de vuurbaak van groot belang was. Door het geweld van de zee kavelde het eiland af. Stond de vuurbaak in 1649 nog 112 voeten (ca. 32 m) van zee, in 1661 was dat nog maar 30 voeten (8,5 m). In 1662 kwam de baak op de 'berg'. In 1710 werd in de stad Amsterdam een grote loterij gehouden om op Urk een goede zeewering aan te leggen. De oeververdediging werd met keien uit de keileemgronden versterkt. Het vele onderhoud aan de zeeweringen was echter zo kostbaar dat Amsterdam het eiland op 4 april 1792 terug gaf aan de leenheren van de Staten van Holland.

Omdat de kosten van een kolenvuur hoog waren besloot de Minister der Marine op 26 oktober 1808 dat op 6 november 1809 een olielamp op het eiland Urk geplaatst zou worden. In 1837 is een vierkante houten baak gebouwd, die in 1844 werd vervangen door de huidige ronde, van baksteen opgetrokken, witte vuurtoren. De toren werd voorzien van een draailicht en een olielamp met een holle, cilindervormige pit waarvan het licht versterkt werd door Fresnelse lenzen. Om het licht een draaiend effect te geven was in de toren een gewicht geplaatst. De toenmalige lichtwachter moest om de twee uur naar boven om het gewicht op te hijsen. Het langzaam wegzakkende gewicht zorgde ervoor dat de lenzen gingen draaien rondom de stilstaande lamp. In 1906 werd het draaimechanisme van een electromotor voorzien. Alhoewel het licht geautomatiseerd is, hangt het gewicht nog steeds in het midden van de toren. Op een gedenksteen aan de landzijde van de toren staat te lezen: "Tijdens de regering van Willem II, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg enz., enz., enz., is deze toren op last van den Vice-Admiraal Julius Constantijn Rijk, Minister van Marine enz., enz., bij hernieuwing opgebouwd onder het bestuur van Jonkheer Anthonie Cornelis Twent, kommandeur der orde der Nederlandschen Leeuw, Inspecteur-Generaal over het Loodswezen enz., zijnde de eerste steen gelegd den 18 mei 1844. Duplicaat 1972".

In 1899 werd de vuurtoren met vijf meter verhoogd, tot een hoogte van 13.90 meter omdat de lichtuitstraling naar het oosten door het hoge dak van de, in 1885 gebouwde, Bethelkerk werd belemmerd. In de gevel van de vuurtoren bevinden zich enkele rondboogvensters. Het gietijzeren lichthuis met koperen koepel en balustrade dateert van 1901. In 1920 is de toren van een elektrisch licht voorzien. Bij helder weer is de lichtflits op 18 zeemijl, oftewel 33,33 km te zien. Dat komt omdat het licht in prisma's gebundeld en via lenzen uitgestraald wordt. De vuurtoren heeft als enige langs het IJssel- en Markermeer een draailicht, dat dan ook nog linksom draait. ’s Nachts is elke vijf seconde een schittering van 0,2 seconde zichtbaar. 

De vuurtoren is sinds 1981 een rijksmonument. Het gebouw is van algemeen belang wegens de oudheidkundige waarden en uit oogpunt van de geschiedenis der technische ontwikkelingen. In 1985 werd de vuurtoren voor het laatst 24 uur per dag bemand. Sindsdien is de bediening van de toren en de bijbehorende misthoorn geautomatiseerd. De vuurtoren is in de zomermaanden tegen betaling te beklimmen.

Klik voor meer informatie hier

architect

De vuurtorenontwerper Jacob Valk (1757 - 1846) was een geboren en getogen Amsterdammer. Waarschijnlijk volgde Valk zijn opleiding aan een Rijkswerf of een Militaire Academie. Deze opleidingen vonden technische vraagstukken belangrijker dan artistieke aspecten. Jacob Valk werd bij Koninklijk Besluit van 11 juni 1816 benoemd tot inspecteur der maritieme gebouwen bij het Loodswezen in Amsterdam. Daarvoor werkte hij als oppermagazijnmeester van scheepsbouw bij de Rijkswerf te Rotterdam. Valk ontwierp zijn torens in steen, een vernieuwend bouwmateriaal aan het begin van de 19e eeuw. Ook de lichttechniek die hij toepaste, een ingenieus lenzenstelsel, was vooruitstrevend. Onder leiding van Jacob Valk werd in 1817-1818 de kerktoren van West-kapelle omgebouwd tot vuurtoren. Ook aan de ontwerpen van de stenen kustlichttoren op het Fort Kijkduin (Huisduinen), de vuurtoren van Hellevoetsluis, Egmond aan Zee, Terschelling en Vlieland is zijn naam verbonden. In 1833 was Valk verantwoordelijk voor de bouw van een lichtwachtersverblijf en een nieuwe lantaarn op de kerktoren van Goedereede. De vuurtoren van Marken (1839) was het laatste ontwerp van Jacob Valk. Op 31 december 1842 kreeg Jacob Valk eervol ontslag, hij was toen 87 jaar oud. Vanaf dat moment was zijn neef Leendert Valk (1794-1867) verantwoordelijk voor alle bouwkundige ontwerpen en revisies. Leendert Valk, geboren in Rotterdam, was in de praktijk opgeklommen van timmerman tot tekenaar. Van 1832 tot 1850 was hij als bouwkundige in dienst bij het loodswezen, waar hij de eerste 10 jaar onder supervisie van zijn oom Jacob werkte. Officieel staan er slechts twee vuurtorenontwerpen op zijn naam: de vuurtoren van Haamstede en de vuurtoren van Urk. Vermoedelijk heeft hij ook belangrijke bijdragen geleverd aan de ontwerpen die op naam staan van Jacob Valk. Bron: Rijksmuseum en De vuurtoren van Urk en Marken door Jacob Kouwenhoven.

Laatste Update woensdag, 21 februari 2018