Muntvondsten 1955, 1977, 1995 en 2025
Plaats: Urk
Locatie: Oude dorp, Urkerbos
Maker:
materiaal: goud en zilver
Jaar: vanaf het jaar 1 na Chr.
Beschrijving:
1955
Bij de afbraak van een oud huis in 1955 in het oude gedeelte van Urk werd een kelder ontdekt die volgestort was met puin. Bij het weghalen van het puin vond de toen 13-jarige Albert Post een klompje aarde waar iets glinsterends uitstak. Hij liet het zien aan zijn baas Piet Nentjes, maar die riep: "Dat is niks, gooi weg". Post stopte het klompje aarde in zijn broekzak en spoelde het thuis onder de kraan af. Daar vallen maar liefst 13 zilveren en 5 gouden munten in zijn handen uiteen. Een vriend, die destijds op het gemeentelijk Lyceum in Kampen zat nam een munt mee naar school en toonde die aan zijn geschiedenisleraar C.N. (Chris) Fehrmann (1910-1981) met de vraag of hij kon zeggen of het wat bijzonders was. Het bleek een gouden munt te zijn waarop onder andere te lezen stond: Ferdinandvs Elisabet di Gro. Fehrmann vroeg toestemming de munt te zenden naar Dr. Hendrik Enno van Gelder (1876-1960), directeur van het Koninklijke Kabinet van Munten, Penningen en Gesneden Stenen in Den Haag. Later werden ook de andere munten voor onderzoek naar Den Haag gezonden. Aan één van de munten kleefde nog een groenachtige stof waaruit opgemaakt werd dat de munten in een buideltje of iets dergelijks gezeten hadden. Het buideltje was door Albert Post weggegooid en niet meer te achterhalen.
Het betrof een depotvondst van voor die tijd vrij hoge waarde. Een depotvondst is een of meer gelijktijdig begraven objecten die niet als grafgift of als nederzettingsresten in te delen zijn. De munten bleken van zeer verschillende herkomst te zijn. Elf stuks kwamen uit de Bourgondische Nederlanden, 1 van de Drie Steden van Overijssel en verder 1 van het Bisdom Luik, de Stad Keulen, de Pauselijke Staat, het Hertogdom Ferrara, het Hertogdom Milaan en het Koninkrijk Spanje. Het opmerkelijkste stuk uit de collectie was een dubloen (dubbele dukaat) uit ca. 1540 met de beeltenissen van Ferdinand en Isabella, een Spaanse goudmunt met een waarde van twee escudo's, met een gewicht van 6,77 gram. Deze munt werd van 1537 tot 1833 geslagen en zowel in Spanje als de Spaanse kolonies gebruikt.
Bijna alle munten waren in de 16e eeuw geslagen en geen enkele munt was ouder dan 1573. Daar de Hollandse Leeuwendaalders van 1576 niet vertegenwoordigd waren, werd aangenomen dat de schat tussen 1573 en 1576 verborgen was, in de onrustige tijden van de eerste jaren van de 80-jarige oorlog. Gezien de toestand waarin de munten verkeerden kon geconcludeerd worden dat zij in het keldertje gelegen hebben vanaf het moment van verbergen tot het ogenblik dat zij in 1955 ontdekt werden. Mogelijk waren de munten door een Spaans soldaat tijdens enkele veldtochten verzameld.
De vondst was vele jaren te bezichtigen in Museum Schokland, tezamen met de munten die in 1954 in Rutten gevonden werden op kavel NA31. Op 30 januari 2024 ontving Museum Het Oude Raadhuis de muntvondst in bruikleen uit het Archeologisch depot van Batavialand. De vinder, Albert Post, was zelf aanwezig om samen met museumbeheerder Anneke de Jong de munten in ontvangst te nemen. De munten worden tentoongesteld in een samengestelde collectie 'Schateiland Urck'. Bronnen: Kamper Almanak 1955, Enige muntvondsten in het Zuiderzeegebied; openrijkswaterstaat.nl, Muntvondsten in Scheepswrakken; Leeuwarder courant 8-9-1955; Overijsselsch dagblad 22-12-1955; Het Urkerland;
1977
In december 1977 werden door L.M. Wielhouwer uit Emmeloord, in het Urkerbos, 11 Romeinse munten gevonden. Het betrof 11 zilveren denarii uit het begin van de jaartelling. De stukken werden op 28 januari 1978 tijdens een opendag voor vondstenregistratie geregistreed. Het betrof een schatvondst met een sluitmunt van keizer Augustus, vergezeld van tenminste één republikeinse denarius. Bron: jaarboekvoormuntenpenningkunde.nl. Klaas Post schrijft in de Urkeruitgave 'Romeinse muntvondst': "Denarii (de zilverlingen uit de bijbel) werden alleen door de elite en hoge militairen gebruikt en werden vaak als geschenk aangewend om Germaanse stammen gunstig te stemmen. Omdat dit deel van Urk toen zeker land was, en hier de oorspronkelijke bodem betreft (dus niet van elders aangevoerde grond), kan het geen scheepsvondst zijn en kan een toevallig verlies uitgesloten worden. Een dergelijk aantal vrijwel gave (niet versleten door veelvuldig gebruik) zilveren munten van eenzelfde ouderdom wijst op een schatvondst. Iemand moet deze schatvondst aan de bodem van het toenmalige Urk toevertrouwd hebben. Een teruggekeerde Friese huurling uit het Romeinse leger? Of toch een al dan niet tijdelijk op Urk vertoevende Romein? Misschien, maar dan liggen er de verdronken delen ten westen en noordwesten van het oude eiland vast nog meer bewijzen van Romeinse bewoning!" Waar deze muntvondst gebleven is is niet meer te achterhalen.
1995
in de begin jaren 1990 werd er in de oude dorpskern van Urk gewerkt aan de dorpsvernieuwing. Tijdens graafwerkzaamheden bij het vervangen van de oude riolering in oktober 1995 vond de destijds 16-jarige stratenmaker Leonard Corte naast Wijk 4-58 twee aarden potten met munten. Direct na de vondst werd de grond verder afgegraven en vervoerd naar de werf van gemeentewerken. Daar hebben de medewerkers van de gemeente de grond gezeefd. Uiteindelijk kwamen er nog enkele munten te voorschijn. In totaal werden er 75 gouden en 37 zilveren munten gevonden die tussen de 15e en 16e eeuw geslagen zijn. Vijfendertig munten waren afkomstig uit de Noordelijke Nederlanden, 35 uit de Zuidelijke Nederlanden en 42 uit 7 verschillende staten van Europa. De goede staat waarin de meeste munten verkeerden gaf aan dat het om een spaarschat ging. De ouderdom van een muntschat wordt bepaald door de jongste munt, de zogenaamde sluitmunt. In dit geval was dat tevens het topstuk van de vondst, een zeer zeldzaam Portugees goudstuk van 4 cruzados. De munt droeg geen jaartal, maar was tussen 1598 en 1621 geslagen. De oudste munt was een gouden nobel van koning Henry V van Engeland die tussen 1412 en 1427 in omloop gebracht was. De munten werden door medewerkers van het Koninklijk Penningenkabinet in Leiden getaxeerd.
De muntvondst leidde tot ruzie wie de echte vinder was. Volgens de wet krijgt de vinder de helft van de waarde en de eigenaar van de grond de andere helft. Ook de andere 3 stratenmakers die op Urk aan het werk waren dachten recht te hebben op een deel van het vindersloon. Uiteindelijk deed de Rijdende Rechter mr. Frank Visser in 1996 uitspraak. Hij oordeelde dat Leonard Corte en de kraanmachinist ieder recht hadden op 25% van ƒ 110.000,-, de getaxeerde waarde van de munten. De andere werknemers van straatmakersbedrijf Schonewille uit Elim visten achter het net. De gemeente Urk had als eigenaar van de grond recht op de helft van de vondst en besloot 15 gouden en 8 zilveren munten voor Museum 't Oude Raadhuis te behouden. Bronnen: Stichting Urkeruitgaven; Reformatorisch Dagblad; Algemeen Dagblad.
2025
Op 8 maart 2025 graaft Harm van Slooten, tijdens een renovatie van een woning op Wijk 5-139 een kelder. Onder een betonvloertje kwamen oude vloerplanken te voorschijn en vlak eronder een potje met zilveren munten, 75 guldens en 35 rijksdaalders uit de periode 1922-1939. De munten waren nog heel gaaf en duidelijk geselecteerd om te bewaren. In 1940 werd de woning bewoond door de familie Weerstand. Klaas Weerstand (1884-1955) en Anna de Boer hadden twee zoons, aannemer Pier Weerstand (1914-1996) en Willem Weerstand (1920-1980). Beide broers trouwden niet en woonden het grootste deel van hun leven in het huis Wijk 5-139. Het potje is waarschijnlijk tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de vloer verstopt, maar nooit meer opgepikt. De munten waren puntgaaf en duidelijk geselecteerd om te bewaren. Bron: Het Urkerland 10 januari 2022 en 10 maart 2025. Alle munten dragen de beeltenis van koningin Wilhelmina. Volgens een eeuwenoude traditie wordt bij het aantreden van de Nederlandse vorst(in) een nieuwe munt ontworpen. Het is dan gebruikelijk dat de nieuwe koning of koningin in tegengestelde kijkrichting wordt afgebeeld dan zijn of haar voorganger. Op ‘zijn’ munten keek koning Willem III, de vader van Wilhelmina, naar rechts. Omdat het als oneerbiedwaardig gezien werd als opeenvolgende vorsten elkaar in de nek aankeken is koningin Wilhelmina links kijkend afgebeeld.