Mddelbuurt of Molenbuurt

Mddelbuurt of Molenbuurt

Plaats: Schokland

Locatie: Middelbuurt

Maker:

materiaal:

Jaar: ca. 1000 tot heden


Beschrijving:

Aan het begin van onze jaartelling maakte het gebied van het huidige Schokland onderdeel uit van een groot schiereiland. Maar in de loop der eeuwen moest dit veeneiland steeds meer land aan de zee prijsgegeven. De vele terpresten die na het droogvallen van de Noordoostpolder rond Schokland gevonden zijn wijzen erop dat de bevolking zich in de Middeleeuwen teruggetrokken heeft op 3 woonterpen aan de oostkant van het eiland. Lange tijd bestond het eiland bestuurlijk uit twee afzonderlijke gebieden. Op het zuidelijk deel lagen de terpen Zuiderbuurt en Middelbuurt die samen het gehucht Ens vormden dat tot Overijssel behoorden. In het noorden was de woonterp Emmeloord gelegen dat samen met het eiland Urk een Heerlijkheid vormden, een gebied dat bestuurd en uitgebaat werd door een heer die het 'in leen' had van een vorst.

De Nederlanden waren tijdens de Spaanse overheersing rooms-katholiek. Van oudsher bezocht de katholieke bevolking van Middelbuurt, ook wel Molenbuurt genoemd omdat er rond 1550 een graanmolen stond, de middeleeuwse kerk op de zuidpunt van het eiland. De Noordelijke Nederlanden onderleiding van Willem van Oranje, kwamen in opstand tegen de Spaanse overheersing en het hiermee samenhangende katholicisme. De opstandelingen vonden dat iedere Nederlander het protestantse geloof moest aannemen. Op de eilanden Ens en Emmeloord was aanvankelijk weinig van de hervormingen te merken. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog van 1568 tot 1648, met een wapenstilstand van 1609 tot 1621, vochten de watergeuzen aan de zijde van de opstandelingen tegen Spanje. Zij hielden regelmatig roof- en plundertochten om de katholieken het leven zo zuur mogelijk te maken. In 1572 voerden zij een eerste aanval op Vollenhove uit, waarbij naast kerkschatten ook een pastoor en zijn kapelaan werden meegenomen. Op de terugtocht plunderden zij de katholieke kerk op Emmeloord. Vier jaar later ging pastoor Simon Janszoon van Ens over tot het calvinisme. Op Emmeloord bleef men het katholieke geloof trouw.

Middelbuurt was 227 m. lang en 30 tot 62 m. breed. Vanwege de slappe veenbodem waren de huizen van hout. De meeste woningen, gedekt met stro of riet, stonden dicht opeengepakt op een rij, met de voorgevel naar het oosten. Achter deze rij stonden hier en daar nog enkele huizen verspreid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bij brand de schade niet beperkt bleef tot de oorspronkelijke vuurhaard maar dat de omliggende huizen eveneens ten prooi aan de vlammen vielen. In 1647 woedde er een verwoestende brand op Middelbuurt. Bij het herstel van de huizen kregen de bewoners financiële ondersteuning van de stad Kampen en het gewest Overijssel. Na de brand werd op Middelbuurt ook een woning voor de predikant gebouwd. Naast deze pastorie werd in 1717 door de protestanten een nieuwe kerk in gebruik genomen. In het doopboek staat aangetekend: "10 Aug. is alhier voor de eerste maal naast mijn huis in de nieuwe kerk gepredikt". Het was een houten kerkje dat gebouwd was op een gemetseld muurtje en bedoeld was als vervanging van de kerk op de zuidpunt. Regelmatig lieten ook grote overstromingen hun sporen na. In de nacht van 3 op 4 februari 1825 steeg het water op Middelbuurt tot 3,38 m boven AP. Het kerkje en de pastorie kregen het tijdens de stormvloed zwaar te verduren. In de kerk stond 83 cm water. Het gebouw was zo bouwvallig geworden dat de Waterstaat in 1843 op de fundamenten een nieuwe kerk bouwde.

Het voornaamste middel van bestaan op Middelbuurt waren de dijk- en paalwerken. Enkele bewoners hadden hun broodwinning in de visserij. Middelbuurt had geen haven, de schepen gingen op de rede van Ens voor anker. De burgemeester, predikant, geneesheer, onderwijzer en opzichter van de Waterstaat waren de notabelen die op de terp woonden. In 1806 werden Ens en Emmeloord een bestuurlijk geheel onder de naam Schokland en ressorteerde sindsdien onder Overijssel. De voormalige opzichter van de Waterstaat, Eberhard Philip Seidel (1728-1814) werd tot Maire (burgemeester) benoemd. Geruime tijd zetelde het eilandbestuur in het gemeentehuis op Emmeloord. De laatste burgemeester, Gerrit Jan Gillot (1782- 1869), had echter een eigen woning op Middelbuurt en kreeg in 1837 toestemming om zijn ambt voortaan daar uit te oefenen. Als voorwaarde werd gesteld dat het Emmeloordse gemeentehuis aan de provincie Overijssel werd afgestaan. In ruil daarvoor kreeg de gemeente Schokland ƒ 300,- van de provincie om Gillots huis op Middelbuurt met een afzonderlijke kamer uit te breiden, die sindsdien als gemeentehuis gebruikt werd.  

De visserij bracht structureel te weinig op. De dijk- en paalwerken konden alleen in de zomer uitgevoerd worden. Schokland verviel in armoede. De provincie Overijssel moest aan het begin van de 19e eeuw regelmatig de kas van de gemeente Schokland spekken. De armoede en het gevecht tegen het water waren de aanleiding dat de regering besloot Schokland in 1859 te ontruimen. Bij de ontruiming van het eiland is nagenoeg alle bebouwing afgebroken om te voorkomen dat bewoners weer zouden terugkeren of anderen er hun intrek in zouden nemen. Aan de vertrekkenden werd naast een verhuisvergoeding een bedrag tussen de ƒ 20,- en ƒ 100,- uitgekeerd voor het afbreken van de woning. Men mocht alles wat hen toebehoorde boven de grond meenemen. Wat zich onder de grond bevond moest blijven. De ondergrondse funderingen en kelders liggen nog voor een groot deel onder het maaiveld.

De Hervormde kerk op Middelbuurt was eigendom van het Rijk en werd niet gesloopt. In de pastorie woonde na de ontruiming de kantonnier die belast was met het dagelijks toezicht en het onderhoud van de dijken. In 1947 werd het oudheidkundig museum in de kerk gevestigd. Na de drooglegging van de Noordoostpolder gaf de bodem vele archeologische schatten prijs, die in het museum tentoongesteld werden. Tussen 1961 en 1967 is het museum gerenoveerd en in de loop der jaren uitgebreid met voormalige werkgebouwen. In 1981 werd een nieuw entree- annex administratiegebouw opgeleverd en aan de oostzijde van de museumterp werd het oude palenscherm vervangen. Enkele jaren later werden alle houten werkgebouwen gesloopt en vervangen voor een aantal houten huisjes die in 'Zuiderzeestijl' werden opgetrokken.

Op 1 oktober 1987 werd museum Schokland door de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP) voor het symbolische bedrag van 1 gulden overgedragen aan de gemeente Noordoostpolder. In verband met de overdracht zijn in juni 1987 de parkeerplaats en de toegangsweg verbeterd. Tijdens graafwerkzaamheden kwamen funderingsresten te voorschijn. Enkele proefgaten leerden dat tot ongeveer NAP de grond vrijwel geheel verstoord was. Slecht hier en daar waren nog resten van funderingen, delen van vloeren en straatjes aanwezig, vrijwel alle niet ouder dan de 18e eeuw. In slechts twee gevallen kon bij benadering de plattegrond van een huis van 5,50 x 6,50 m worden vastgesteld. Ook zijn er resten van 'het paalwerk' van de noordelijke begrenzing van de terp aangetroffen. Beneden NAP bevinden zich 'ongestoorde' lagen uit de 17e eeuw en ouder. In overleg tussen de RIJP en de aannemer werd afgesproken dat er niet dieper dan NAP gegraven zou worden. De funderingen, muurresten, kelders, waterputten en palen zijn ingemeten, getekend en gefotografeerd. De vondsten werden geborgen. Bron: Archeologische waarnemingen op Middelbuurt (Schokland) juni 1987 door: K. Vlierman. Op het museumterrein zijn een keldertrap van een vroeger woonhuis en een waterkelder uitgegraven.

Laatste Update woensdag, 29 juli 2020