Vliegtuigwrakken
Vliegtuigwrakken in Oostelijk Flevoland, de randmeren en het IJsselmeer
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het IJsselmeer, waar geen luchtdoelgeschut stond, een belangrijke aanvliegroute voor bombardementsvluchten naar Duitsland. Kort nadat de Duitsers Nederland in mei 1940 waren binnengevallen bouwden ze ten zuidwesten van Harderwijk radarstation Stellung Hase, dat deel uitmaakte van het Himmelbett-systeem, een verdedigingsgordel van radarstellingen met zoeklichten en Flak (luchtafweergeschut). Zodra de radars de geallieerde vliegtuigen waarnamen werden Duitse nachtjagers erop afgestuurd zodat deze de vijandelijke toestellen konden onderscheppen. Het IJsselmeer was derhalve het toneel van vele luchtgevechten. Tussen 1940 en 1945 stortten hier dikwijls geallieerde vliegtuigen neer. Toen in 1957 het water in Oostelijk Flevoland was weggepompt werden vliegtuigdelen zichtbaar. De piloten van de vliegtuigen die riet inzaaiden om de bodemrijpheid van de grond te bevorderen, waren de eersten die melding maakten van vreemde voorwerpen in de polder. Toen met de ontginning van de polder een aanvang werd gemaakt was de Dienst der Zuiderzeewerken de eerste organisatie die met de vliegtuigwrakken geconfronteerd werd. Bij het graven van tochten en sloten stuitten de polderwerkers op de resten van neergestorte vliegtuigen. De tweede organisatie was de Directie Wieringermeer, de voorloper van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP). Zij kwamen de vliegtuigwrakken voornamelijk tegen vanaf het moment van ontginning, bij de begreppeling, drainage en grondbewerking. Bron: Droogelegd land, blootgelegd verleden.
In 1960 werden de eerste vliegtuigwrakken in de nieuwe polder ontdekt. Het eerste toestel dat geborgen werd was van de Gloster Meteor T.Mk.7 1-301, een toestel uit de Koude Oorlog dat sinds 1954 als vermist te boek stond. De berging van dit toestel werd begin 1960 opgedragen aan de Bergings- en Transportdienst van de Koninklijke Luchtmacht, behorende tot het Depot Vliegtuig Materiaal, gelegerd op de Vliegbasis Gilsen-Rijen, die destijds onderleiding stond van sgt. A.J. Hinssen. De opdracht werd dermate deskundig uitgevoerd dat de Directie Wieringermeer aan de Koninklijke Luchtmacht verzocht zich met het opruimen van alle vliegtuigwrakken te belasten. Toen men op stoffelijke resten van gesneuvelde bemanningsleden stuitte, raakte de Gravendienst van de Koninklijke Luchtmacht bij het werk betrokken. Ook werd de Afdeling Explosieven Opruiming (AEO) van DVM en vanaf 1 oktober 1971 de Explosieven Opruimingsdienst (EOD) van de Luchtmacht bij diverse bergingen ingeschakeld. Aanvankelijk had de Bergingsdienst een handicap omdat men de expertise niet in huis had om vliegtuigen accuraat te indentificeren. In 1962 kreeg de luchtmacht met betrekking tot de vliegtuigidentificatie-aspecten assistentie van Gerrit Jan Zwanenburg (1928-2016). Zijn uitgebreide dossiers van verloren gegane vliegtuigen en bemanningsleden verschaften in tal van zaken opheldering. In 1967 trad Zwanenburg als bergingsofficier bij de Koninklijke Luchtmacht in dienst. Bron: In de schaduw van de glorie, S.L. Veenstra. Het bergen van de vliegtuigwrakken was geen gemakkelijke klus. Net na de droogmaking waren ze moeilijk te bereiken. De wrakken lagen in de zachte drassige bodem die voor de bergingsvoertuigen moeilijk begaanbaar was. Soms kwam het voor dat de bodem overwoekerd was met manshoog riet dat door de Cultuurtechnische Afdeling van de RIJP was ingezaaid om het water aan de bodem te onttrekken om zo de pas drooggevallen poldergrond steviger te maken. Allemaal omstandigheden die ertoe leidden dat een berging uitgesteld moest worden. Bron: Vliegtuigwrakken in de IJsselmeerpolders.
"Bij de ontginning van de polder zijn in de vorm van vliegtuigen vele stille getuigen gevonden van de heldhaftige strijd die de geallieerden voor onze vrijheid hebben gevoerd". (landdrost dr. Ir. W.M. Otto)
Sinds 2010 worden overblijfselen uit de oorlog bestempeld als cultureel erfgoed. Deze resten vallen onder de Erfgoedwet. Op 32 plaatsen in de gemeente Dronten en Lelystad zijn vliegtuigen geborgen. Een groot deel van de vindplaatsen van de gecrashte toestellen wordt met een paal gemarkeerd. Het idee voor het markeren van de vindplaatsen van de neergestorte vliegtuigen is ontstaan bij de Stichting 4 mei Herdenking Dronten. De stichting woonde ieder jaar de herdenking bij in de bossen bij Vaassen op de plaats waar ook een toestel is neergehaald. Hier zijn diverse vindplaatsen gemarkeerd door de Stichting Broken Wings en het leek de Stichting 4 mei Herdenking Dronten dan ook een mooi plan om dat ook in Flevoland te doen. Op 29 april 2011 is de eerste markeringspaal aan de Eskimolaan in Dronten onthuld. De neus van het vliegtuig op de geplaatste palen staat in de richting van de kavel waarop het toestel is neergestort. Op 30 april 2021 is de 'crashpalenroute’ geactualiseerd, met nieuwe informatie over neergestorte militaire vliegtuigen. Naar aanleiding van nieuwe inzichten is informatie op de borden aangepast, zijn nieuwe palen geplaatst, zijn palen verplaatst of verwijderd.
Voor de inventarisatie van de tijdens de luchtoorlog in deze regio neergestortte vliegtuigen is het verliesregister van de SGLO als uitgangspunt genomen. De ligging van de kavels waarop de vliegtuigwrakken gevonden zijn kunt u hier op de kavelkaart terug vinden. Sommige toestellen zijn nabij Oostelijk Flevoland in het IJsselmeer gestort of in één van de randmeren. Deze vliegtuigen zijn in de lijst met een sterretje (*) gemarkeerd. In de beschrijvingen hieronder wordt ingegaan op het wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe van de vliegtuigcrashes.
Klik op de foto's voor de beschrijving.






























