Gemalen, sluizen en stuwen
Gemalen, sluizen en stuwen in Oostelijk Flevoland.
De drooglegging van Oostelijk Flevoland startte in 1950. De dijkwerkzaamheden voor deze polder waren aanzienlijk omvangrijker dan die van de Wieringermeerpolder en de Noordoostpolder, daar Oostelijk Flevoland geheel door water omringd werd. Zo’n 90 kilometer dijk moest worden aangelegd. De gemalen en dijken zijn tezamen van belang voor het ontstaan van de IJsselmeerpolders en het in stand houden van de waterhuishouding. De jonge en zeer vochtige grond moest na de drooglegging in cultuur gebracht worden. Het proces, waarbij de vochtige bodem van een overvloed aan water wordt ontdaan, heet bodemrijping. Gedeeltelijk gaat dit vanzelf door verdamping. In de Noordoostpolder was ten westen van Emmeloord spontaan riet opgekomen. Het riet bleek veel water aan de grond te onttrekken en het onkruid te verstikken. Door zijn wortelgroei en het vermogen water aan de bodem te onttrekken verbeterde het riet de kwaliteit van de grond. Vandaar dat in Oostelijk Flevoland riet uitgezaaid werd. In april 1957 viel het hoge deel van Oostelijk Flevoland droog. Van Beeks luchtvaartbedrijf uit Melissant kreeg de wereldprimeur om met een vliegtuigje over de onmetelijke zandvlakte riet uit te zaaien. Het was even een probleem om een juiste methode voor het verstuiven te vinden. Het bleek onmogelijk het speciale verstuivingsapparaat te gebruiken, omdat de kanalen door de 'wolligheid' van het zaad te gauw verstopt raakten. Bedrijfsleider Mastenbroek en de vliegers Henk de Heus en Rudolf Frederiksen piekerden er een halve dag over en toen vond Frederiksen het ei van Columbus. Zijn idee was simpel, maar voor de praktijk verrassend goed geschikt. Hij liet gewoon het luik in de romp van de Piper Super Cub waarin het zaad gestopt werd, open staan. De wind kon door het verstuivingsapparaat onderaan het vliegtuig binnenkomen en zo blies zij het reservoir van boven als het ware leeg. De windstroom van de propeller blies het er onder het vliegen uit waardoor een goede verdeling over het drooggevallen land werd verkregen. Het toestel steeg op van een 'vliegveldje' aan de voet van de Veluwemeerdijk nabij Elburg. Per vlucht, die gemiddeld twaalf minuten duurde, werd 90 hectare bestreken. Op iedere hectare werd een halve kilo rietpluimen gestrooid die 100.000 tot 200.000 zaadjes bevatten. Het benodigde rietzaad werd voor een belangrijk deel verkregen van de oevers van het Zwartemeer. Bron: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 21-5-1957
De ontginning van Oostelijk Flevoland kwam vanuit het noordoosten op gang, met het streven om ruim 7000 ha per jaar te ontginnen. De ontginning werd opgedragen aan de Directie Wieringermeer, die in 1962 van naam veranderde in Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Nadat het riet water aan de grond onttrokken had volgde het graven van greppels. In het regenachtige Nederland moet een groot deel van het water via een ontwateringsysteem van de landbouwkavels worden afgevoerd. Als standaardeenheid voor Oostelijk Flevoland is men uitgegaan van een kavel van 1000 x 300 m oftewel 30 ha. Toen de plannen voor Oostelijk Flevoland werden gemaakt kon de drainagelengte maximaal 150 m lang zijn omdat de keramische (geglazuurde terracotta) drainagebuizen anders bij verstopping niet meer te reinigen waren. De draineerbuizen werden van het midden van de kavel naar de kavelsloten aan weerszijde gelegd. Hieruit volgt de kavelbreedte van twee drainagelengtes ofwel 300 m. Het water stroomt via de drainage buizen in de grond naar de kavelsloot, vervolgens naar een tocht en vandaar naar één van de twee hoofdvaarten. De zeebodem van Oostelijk Flevoland helt uiterst gelijkmatig van -2 m NAP uit de kust tot -4 m NAP in het midden van de vroegere zee. De polder is in twee afdelingen verdeelt, waarvan de polderpeilen -5,20 m en -6,20 m. NAP bedragen.
Het hoofdwaterwegennet in Oostelijk Flevoland wordt grotendeels gevormd door de 61,50 km lange Hoge Vaart en de 45,75 km lange Lage Vaart. De namen Hoge en Lage Vaart zijn ingegeven door de waterhuishouding. Ze verwijzen naar twee polderpeilen in Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. De vaarten en enkele tochten die uitmonden in de Hoge en Lage Vaart zijn al voor de inpoldering onder water gebaggerd, om na het sluiten van de ringdijk het water naar behoren naar de gemalen aan de rand van de polder te kunnen afvoeren. Bij Ketelhaven wordt het waterbezwaar van zowel de lage- als de hoge afdeling door gemaal Colijn op het Vossemeer gebracht waardoor een apart gebouw kon worden uitgespaard. Bij Lelystad Haven wordt het teveel aan water in de lage afdeling via de Lage Dwarsvaart door gemaal Wortman afgevoerd naar het IJsselmeer. Gemaal Lovink bij Harderhaven voert via de Hoge Dwarsvaart het waterbezwaar van de hoge afdeling af naar het Veluwemeer. De gemalen in Oostelijk Flevoland zijn, net als die van de Noordoostpolder, ontworpen door architect Dirk Roosenburg. Hij gaf de drie gemalen elk een andere vorm omdat hun werking verschilden.
Sinds 1969 vormen Oostelijk en Zuidelijk Flevoland een waterstaatkundige eenheid. Na het droogvallen van Zuidelijk Flevoland zijn in de Knardijk twee keersluizen geopend, de Lage en Hoge Knarsluis. Omdat de beide polders één waterstaatkundig geheel zijn, worden de gemalen Colijn, Wortman en Lovink ook ingezet bij het droog houden van Zuidelijk Flevoland. De vorm en het tracé van de dijken hebben in belangrijke mate het frame bepaald waarbinnen in elke polder een eigen ruimtelijk concept is toegepast. Daarnaast zijn de Lage en Hoge Vaart bepalend geweest voor de uitwerking en inpassing van de verschillende ideeën voor het inrichten van Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. Aan de vaarten in de Noordoostpolder was een secundair netwerk van tochten gekoppeld waardoor elke kavel in de buurt van bevaarbaar water ligt. In Oostelijk en Zuidelijk Flevoland is dit losgelaten, hier hebben de tochten geen functie als vaarverbinding gekregen.
Klik hier om een filmje van Waterschap Zuiderzeeland over de gemalen in Flevoland te bekijken.
Klik op de foto's voor de beschrijving.












