Ketelsluis

Ketelsluis

Plaats: Ketelhaven

Locatie: Vossemeerdijk

Maker: Dienst der Zuiderzeewerken

materiaal: beton

Jaar: 1955


Beschrijving:

Oostelijk en Zuidelijk Flevoland vormen sinds 1969 een waterstaatkundige eenheid, nadatde Hooge en Lage Sluis in de Knardijk werden aangelegd. De polder wordt omringd door dijken. Om de scheepvaart mogelijk te maken tussen de omringende wateren en Flevoland moesten er schutsluizen gebouwd worden die het voor de scheepvaart mogelijk maakt het verschil in waterpeil te overbruggen. Door het water in de sluis beurtelings het peilniveau te geven van het boven- of benedenwater kunnen de sluisdeuren om de beurt worden geopend om de schepen te laten in- en uitvaren. Het meest voorkomende type schutsluis bezit twee deurstellen met puntdeuren, een uitvinding van Leonardo da Vinci (1452-1519). Hij tekende een sluis met iets te grote sluisdeuren die onder een hoek ten opzichte van elkaar sluiten. De punt staat steeds in de richting van het hoger gelegen water zodat de extra waterdruk de deuren tegen elkaar dichtdrukt. 

Het was het meest economische om de bouw van een gemaal en schutsluis te combineren zodat slechts één bouwput aangelegd hoefde te worden. In de zomer van 1950 werd door de Dienst der Zuiderzeewerken ten westen van de Ketelmond het dijkvak Q in het IJsselmeer gebouwd. In dit perceel, dat in 1951 gereed kwam, was de bouwput voor gemaal Colijn en de Ketelsluis gepland. De Ketelsluis verbindt het, door de aanleg van Oostelijk Flevoland ontstane Ketelmeer met de Hoge Vaart en kwam in 1955 gereed. 

De Ketelsluis heeft een lengte van 56 m en een breedte van 6,80 m en is geschikt om schepen van maximaal 300 ton te schutten. De toegestane diepgang bedraagt 2,40. De schepen die afgeschut worden mogen niet langer zijn dan 42,60 m. Bij het uitvaren van de polder kunnen schepen van 53,40 m opgeschut worden. De Ketelsluis heeft dezelfde maat als de sluizen in de Noordoostpolder, die in de praktijk bewezen te klein waren. Maar omdat Oostelijk Flevoland geheel omgeven was door water stond de Dienst der Zuiderzeewerken echter op het standpunt dat grotere schepen gebruik konden maken van de los- en laadwallen aan het Veluwemeer. De Ketelsluis overbrugt een verschil in waterpeil van 5 m. De houten puntdeuren zijn bevestigd in sluishoofden, waarbij het bovenhoofd aan de zijde van het Ketelmeer ligt en het benedenhoofd aan de zijde van de Hoge Vaart. In tegenstelling tot de Noordoostpolder, waar de noodkering bestond uit schotbalken die later vervangen zijn door een stalen noodschuif, zijn de schutsluizen in Oostelijk Flevoland aan de buitenzijde uitgerust met waaierdeuren. Het bijzondere van waaierdeuren is dat zij naar twee zijden water kunnen keren en tegen hoog water in geopend kunnen worden. Een waaierdeur is uit twee delen samengesteld: een gewone sluisdeur en een stevig daaraan bevestigde tweede deur, waaier genaamd, waarvan de lengte groter is dan die van de eerste deur. Gewoonlijk verhouden deze lengten zich als 6 : 5. De waaier draait in een kelder, die door riolen, voorzien van schuiven, met het boven- en benedenwater in verbinding staat. Bron: Kamper almanak

Over het benedenhoofd van de sluis ligt een basculebrug. Op het bovenhoofd stond oorspronkelijk een in baksteen opgetrokken sluiswachtershuisje op betonnen onderbouw dat gebouwd was naar ontwerp van Dirk Roosenburg, de architect die ook het naastgelegen gemaal Colijn ontworpen heeft. Het huisje werd vervangen door een moderner exemplaar dat niet meer in gebruik is omdat de sluizen en bruggen in Flevoland tegenwoordig op afstand bediend worden vanuit het provinciehuis in Lelystad. In 2016 zijn de houten sluisdeuren door nieuwe vervangen.