Fiducie (De Zeehond)

Fiducie (De Zeehond)
Fiducie (De Zeehond) Fiducie (De Zeehond) Fiducie (De Zeehond) Fiducie (De Zeehond) Fiducie (De Zeehond) Fiducie (De Zeehond) Fiducie (De Zeehond) Fiducie (De Zeehond)

Plaats: Lelystad

Locatie: Oostvaardersdijk

Maker: Scheepsbouwer Lucas W. Wildervanck

materiaal: eikenhout

Jaar: 1878


Beschrijving:

In de loop der eeuwen zijn er veel schepen vergaan op de Zuiderzee, die met zijn vele ondiepten en onverwachte stromingen lastig te bevaren was. Door de structuur van de zeebodem zonken de meeste schepen snel weg. Daardoor zijn ze vaak goed bewaard gebleven. Bij de drooglegging van de IJsselmeerpolders zijn honderden scheepswrakken tevoorschijn gekomen. In de bodem van de gemeente Lelystad zijn tot op heden 22 traceerbare scheepswrakken gevonden.

In mei 1967 werd bij graafwerkzaamheden op kavel OF3, ten oosten van Lelystad, een scheepswrak gevonden. De zeebodem was inmiddels droog komen te liggen door inpoldering van de voormalige Zuiderzee. Op 1 juni werd een verkennnend onderzoek uitgevoerd waarbij de afmetingen van het schip konden worden vastgesteld. In de periode 14 maart tot 19 april 1972 en 31 juli tot 2 augustus werd het schip opgegraven. Het was een lang en smal schip, helemaal van hout terwijl er in die tijd ook al ijzeren schepen werden gebouwd. Op een van de gangboorden na waren de dekken verdwenen. Het schip had een bijna rechthoekige, volle ronde boeg die kenmerkend is voor de schepen die na 1600 zijn gebouwd. Ook de kim, dat wil zeggen de overgang van de scheepsbodem naar de zijde is rond. Bij het achterschip lopen de vlakken wat minder stijl op, zodat de onderkant van de achtersteven als een scheg uitsteekt. Door deze bouwwijze heeft het schip minder last van drift en is het beter bestuurbaar. Het karveel gebouwde eikenhouten schip verkeerde in uitstekende staat. Het hout was in de natte kleibodem goed bewaard gebleven. Het water in de bodem had het wrak beschermd, er kon geen zuurstof bij komen. Een houten wrak kan niet zo worden bewaard, dan droogt het hout en valt uit elkaar. De lading en inventaris waren nog grotendeels aanwezig. In 1973 werd besloten het te laten liggen op de vindplaats. Het schip werd uit de polderbodem gehesen en op een stalen frame geplaatst. Men heeft het schip in de openlucht laten drogen. Om te voorkomen dat het hout ging rotten is het daarna behandeld met het houtverduurzamingsmiddel creosootolie, een zware olieachtige vloeistof die gemaakt is uit steenkoolteer. Hout dat met dit middel behandeld is, is bruin van kleur, vettig en ruikt rokerig. 
 
De woonruimte in het schip bevond zich in het achteronder, een ruimte van ca. 3,20 m x 3,60 m met een stahoogte van 1,80 m. Hier zorgden olielampen voor verlichting en een fornuis en een stoofje voor de warmte. Meubilair is niet aangetroffen, ofschoon enkele fragmenten houtsnijwerk op de aanwezigheid van een kast duiden en een aardewerken beeldje en een sierbord iets over de decoratie vertelde. Er was kombuisgoed waaronder serviesgoed en een koffiemolen, Daarnaast behoorde een strijkijzer en stofblik tot de inventaris. De schippersvrouw zal, getuige de vondst van een gouden dopje van een parfum flesje, soms een luchtje opgedaan hebben. Van haar en de andere opvarenden werden kledingstukken aangetroffen waaronder schoenen, zakdoeken, handschoenen en een schortje dat in zo'n complete staat verkeerde dat het gerestaureerd kon worden. In de grond die uit de woonruimte kwam zijn Nederlandse, Belgische, Franse en Duitse munten aangetroffen. De oudste munt, een Nederlandse gulden, dateert uit 1851, het jongste muntje, een 2,5 cent, uit 1881. De knecht sliep in het vooronder. Daar zijn resten van een matras aangetroffen, twee stoelen, kleding, rookgerei, schaatsen en een zakmes. Hij rookte een fraaie pijp met een porseleinen kop. De pijpenkop draagt de afbeelding van een schip en de tekst: "Het vaaren is mijn ambt, op het water moet ik bouwen; ik zal mijn schip en goed, aan God de Heer vertrouwen". Het schip werd bekend als "De Zeehond". De naam was afgeleid uit de vondst van een 0,9 cm dik eikenhouten plankje van 32,8 x 6,8 cm met de inscriptie 18 DE ZEEHOND 78, dat in het voorschip gevonden werd. Uit de vondst van een 0,9 cm dikke eikenhouten lat van 149 x 4,7 cm met de inscriptie * W. Venema * 1878 * A. Koerts * werd informatie over de bouwdatum en de eigenaar(s) van het schip afgeleid. "De Zeehond" was het eerste scheepswrak in Flevoland dat na de berging geïdentificeerd kon worden. Bron: Het Peperhuis: nieuwsbrief van het Zuiderzeemuseum: 1992, nr 4.

In 1979 wilde de heer Pomper uit Wageningen een excursie organiseren voor het instituut waar hij werkte. Om zich wat voor te kunnen bereiden kreeg hij documentatiemateriaal. Daarbij was de brochure 'Boeiend Verleden' waarin iets stond over de tjalk bij Lelystad. Nu hadden familieleden van zijn vrouw zich al vaak afgevraagd of in de drooggevallen polder ooit het schip van opa en oma Venema gevonden zou worden. In mei 1979 kwamen 30 nazaten van Willem en Annegien Venema-Koerts naar Ketelhaven waar in het scheepsarcheologisch Museum voorwerpen uit de tjalk tentoongesteld waren. Onder hen was Tine (Tietje) Venema (1890-1980), de toen 88-jarige dochter van het schippersechtpaar. Zij kon de geschiedenis van "De Zeehond", voor zover die bekend was, vertellen. Bron: Flevobericht 323, 'De Zeehond'.

Volgens de nazaten van het schippersgezin Venema zeilde het schip "De Zeehond" in het vroege voorjaar van 1886 op de Zuiderzee. Venema woonde met zijn gezin en knecht aan boord van de zogenaamde Groninger tjalk die een lengte had van ruim 23 meter en een breedte van bijna 5 meter. Het schip was uit Zwartsluis vertrokken met een lading van veertigduizend rode veldoven-stenen voor een oversteek naar Amsterdam. Bij vertrek was het nog goed weer, maar midden op de Zuiderzee kwam "De Zeehond" in een zware storm terecht. Het schip was zwaar geladen. Het stormde hard, het water sloeg overboord en de lading bakstenen werd drijfnat en alsmaar zwaarder. Pompen hielp niet meer. De bijboot werd gestreken. Het gezin en de knecht gingen in de sloep. Schipper Venema bond het jongste kind, een baby nog, tussen twee kussens en wierp het bundeltje vanaf het dek in het op de golven dansende scheepje. Ze werden opgepikt door Kamper vissers. "De Zeehond" zonk naar de bodem van de Zuiderzee. De familie Venema raakte daarmee hun broodwinning en hun woning kwijt. Het verhaal gaat dat toen de familie Venema in de sloep zat zij enkele vissers om hulp riepen. Deze wilde eerst niet helpen, maar later kwamen ze overeen dat ze de schipbreukelingen voor een tientje zouden redden. Eenmaal in Kampen aangekomen eisten de vissers hun geld op. Toen echter bleek dat Willem Venema geen cent meer bezat werd hij door de vissers voor het gerecht gedaagd. De rechter vonniste in het voordeel van Venema en gaf de redders een reprimande voor hun hebzuchtige praktijken. 

Willem Venema was op 25 juni 1855 in Hoogezand geboren als zoon van een schipper. Hij trouwde op 24 augustus 1878 met Annegien Koerts die op 1 februari 1856 geboren was in Kalkwijk, gemeente Hoogezand. Annegien was dochter van scheepsbouwer Albertus Koerts. Op de werf in Kiel-Windeweer, bij Hoogezand, werd een tjalk gebouwd. Toen het schip van de werf was gegleden zei iemand: "het lijkt wel een zeehond" en die naam is op een houten schildje terecht gekomen. Het schip was niet de bruidsschat van Annegien. Toen de eerste lading aan boord kwam, had vader Koerts nog een vordering van 3500 gulden op zijn dochter en schoonzoon. De eerste jaren verliepen voorspoedig, Willem had een zogenaamd Rijnpatent, een vaarbewijs om op de Rijn te mogen varen. Ze voeren overal heen waar vracht was. Er werden drie zonen geboren, Albertus (Franeker, 4 augustus 1879), Harm (Ruhrort, Duitsland, 22 februari 1882) en Magiel (Nijmegen, 5 juni 1884). Ten tijde van de scheepsramp was Annegien hoog zwanger. Dochter Anne kwam op 8 juni 1886 in Zwolle ter wereld. Omdat het schip "De Zeehond" niet verzekerd was moest het gezin zich aan wal vestigen. Willem werd vuurstoker bij de in 1882 opgerichte Wester Suiker Raffinaderij Amsterdam. De familie Venema ging in Amsterdam wonen waar het gezin zich uitbreidden met Jacob (1888), Tietje (1890), Trijntje (1893) en Cornelis (1895). Zes maanden na de geboorte van Cornelis overleed Annegien op 31 augustus 1895, zij was 39 jaar oud. Willem bleef achter met 8 kinderen in de leeftijd van 16 tot een half jaar. Op 5 mei 1897 hertrouwde hij met de weduwe van Jan Hilkerts, Maria Klaasje Naning. Het samengestelde gezin telde 12 kinderen. De oudste zoon van Willem en Annegien, Albertus trouwde op 14 november 1901 met zijn stiefzuster Johanna Hilkerts (Groningen, 1877). Willem overleed op 8 september 1912 in Amsterdam. 

In 1985 deed Frits Loomeijer nader archiefonderzoek naar "De Zeehond". In een notariële akte d.d. 22 oktober 1878 uit het notarieel archief van Hoogezand las Loomeijer dat Lucas Wichers Wildervanck, zonder beroep, op de werf van Albertus Koerts te Kiel, voor rekening van Willem Venema, gedomineerd te Hoogezand, de tjalk Fiducie, lang 24,27 x 4,06 x 1,94 meter, 112 ton, heeft gebouwd. Bron: Flevobericht 323. Bij het doorzoeken van het digitale krantenarchief van Delpher op informatie over de 'Fiducie' (Vertrouwen) in april 2021 vond Flevoland Erfgoed in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant van 30 oktober 1882 en het Algemeen Dagblad van 1 november 1882 een advertentie met de volgende tekst: "De maatschappij "Vertrouwen" vraagt aanbieding waarvoor men genegen is de in de Zuiderzee tusschen Harderwijk en Elburg gezonken tjalk "Fedusie", schipper VENEMA, te lichten en in veilige haven te brengen. Aanbiedingen worden ingewacht vóór 4 November e.k. ten kantore van J. ROMKES VAN DER GOOT te Sappemeer". Als het hier gaat om de tjalk die nabij Lelystad is opgegraven, dan zou het schip 4 jaar eerder vergaan zijn. Deze informatie werd voorgelegd aan maritiem archeoloog Yftinus van Popta en hij vertelde dat hij bezig was met een onderzoek naar de ware identiteit van "De Zeehond".

Op 18 mei 2021 kwam Van Popta met zijn onderzoek naar buiten, waaruit bleek dat "De Zeehond" niet de werkelijke naam van het schip was. Yftinus van Popta toonde op basis van het combineren van de mondelinge overlevering met archeologische en historische gegevens aan dat het schip de Groninger tjalk 'Fiducie' of 'Fedusie' moet zijn, die op 24 oktober 1882 op de Zuiderzee verging, tijdens een befaamde storm waarbij tientallen schepen in Nederlandse wateren vergingen en vele opvarenden verdronken. Verschillende kranten uit 1882 blijken de ramp met de 'Fedusie' van Venema te noemen. De gegevens uit die berichten sluiten naadloos aan op de archeologische en ruimtelijke data. "De familie Venema bracht het er met veel geluk goed vanaf," vertelde Van Popta. "Dat hadden ze te danken aan twee vissers uit Bunschoten, Korlaar en Van Diermen, die met hun botters het in nood verkerende schip te hulp zijn geschoten en daarvoor een maand later zijn gehuldigd en beloond". In de Nieuwe Amersfoortsche Courant van 23 december 1882 stond het volgende bericht: "Bunschoten 18 Dec. Heden had alhier de uitreiking plaats, der aan de vischerlieden Peter Korelaar en Jacob van Diermen en hunner knechts Jacob de Graaf en Peter Hoek Gz. door de Zuid-Hollandsche Maatschappij tot redding van Schipbreukelingen toegekende belooning van ƒ 50, benevens voor elk hunner een getuigschrift en een bronzen medaille, als blijvend aandenken en vereerende de belooning voor betoonde menschlievendheid en moedig op den 25 October 1882, in het redden van 5 schipbreukelingen van een zinkend vaartuig in de zuiderzee bij storm weder". De mondelinge overlevering van de nazaten van het schipperspaar Venema wijkt op sommige punten sterk af van de werkelijke geschiedenis. Bron: rug.nl

Vanwege de uitbreiding van de vuilstort is het scheepswrak in juni 2009 verplaatst naar het terrein van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, tegenwoordig Batavialand

Kijk hier voor meer informatie. 

Scheepsbouwer

Albertus Koerts werd op 6 april 1830 geboren in Kalkwijk (gemeente Hoogezand). Hij was een 23-jarige scheepstimmerknecht toen hij op 7 juni 1855 met de 24-jarige Tietje Mensen (1831-1901) trouwde. Zij kregen twee kinderen, Annegien (1856) en Jaco (1858). Albertus Koerts klom op tot eigenaar van een scheepswerf in Kiel-Windeweer (Hoogezand), waar de Groninger tjalk ‘De Zeehond’ gebouwd werd door scheepsbouwer Lucas Wichers Wildervanck (1836-1883). Hij was afkomstig uit een Gronings scheepsbouwers geslacht. Zijn grootvader Wicher Hooite Meursing (1770-1834), bezat aan de Kalkwijk in Hoogezand een scheepswerf. Na diens overlijden kwam de werf in handen van zijn dochter Anne Wichers Meursing en haar echtgenoot Wubbo Cornelius Wildervanck. Tot 1868 bleef de werf zelfstandig bestaan, eerst onder leiding van Wubbo Cornelius, later onder die van zijn zoon Lucas Wichers. In 1868 werd de werf samengevoegd met die van Hooites.

Scheepsbouwer Koerts was bijzonder teleurgesteld over het verlies van 'de Zeehond' en over de slordige wijze van werken van zijn schoonzoon. Vanaf dat moment kwamen de familiecontacten op een laag pitje te staan. Albertus Koerts was 72 jaar toen hij op 24 mei 1902 in Tiel overleed.