Vrachtschip OE34

Vrachtschip OE34
Vrachtschip OE34 Vrachtschip OE34 Vrachtschip OE34 Vrachtschip OE34 Vrachtschip OE34 Vrachtschip OE34 Vrachtschip OE34 Vrachtschip OE34

Plaats: Lelystad

Locatie: Vogelweg

Maker:

materiaal: eikenhout

Jaar: 16e eeuw


Beschrijving:

Op kavel OE34 aan de Vogelweg werd in 1975 een melding van hout gedaan waarna tijdens een korte verkenning werd vastgesteld dat het om een scheepswrak ging. Bij een uitgebreidere verkenning in 2003 werd een zogenaamde rapier gevonden die gedateerd kon worden aan het eind van de 16e eeuw. In de zomer van 2011 is het schip opgegraven en onderzocht door archeologiestudenten en een team van medewerkers van Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Rijksuniversiteit Groningen en Nieuw Land, onder leiding prof. dr. André van Holk.

Het schip lag ongeveer 30 cm onder het maaiveld. Opvallend is dat het wrak ondanks de ondiepe ligging, boven het grondwater, toch bijzonder compleet is. Het vlak (de bodem) en beide boorden (de zijkanten) van het schip zijn bewaard gebleven. Het karveel gebouwde schip is ongeveer 20 meter lang en op het breedste punt zo'n 5 meter en behoord tot het type wijd- en smalschepen. Uit voorlopig jaarringonderzoek blijkt dat het eikenhout gekapt is in 1553 in Westfalen (Duitsland). Planken van dertien meter lang wijzen op het gebruik van gigantische bomen bij de bouw, van minimaal 25 meter hoog. Zeker is dat het om het oudste karveel gebouwde vrachtschip in Nederland gaat.

Het schip is onder zware slagzij vergaan, alle vondsten lagen aan stuurboord. In het achterschip werden veel aardewerk scherven, een vuurtang, houtskool en een stookplaats gevonden die bestaat uit een houten kist gevuld met zand en afgedekt met plavuizen. De stookplaats lag op zijn kop en eronder zijn dierlijke botten en wervels van vissen aangetroffen. Daardoor bestaat het vermoeden dat de opvarenden tijdens (het bereiden van) de maaltijd zijn overvallen door zwaar weer en geen tijd gehad hebben om de vuurplaats op te ruimen.

Het schip voer op de Zuiderzee aan het begin van de tachtigjarige oorlog (1568 – 1648). De gebieden rond de Zuiderzee kozen de kant van de Geuzen (opstandelingen) onder leiding van Prins Willem van Oranje. Alleen Amsterdam bleef trouw aan het Spaanse gezag tot het in 1578 gedwongen werd vrede te sluiten met de rest van de Nederlanden. Aan boord van het wrak zijn 3 rapieren en 2 hellebaarden gevonden. De vraag van de archeologen was: Waarom waren deze wapens aan boord van het schip? In 1975 werd bij Biddinghuizen een waterschip (OW10) opgegraven. Tot de bijzondere vondsten behoorden een degen en fragmenten van een hellebaard. Dit schip dateert uit precies dezelfde tijd al de OE34. In die tijd hadden 99% van alle waterschepen Amsterdam als thuishaven. De archeologen vermoeden dat deze boten een escorte van soldaten aan boord hadden om de schepen tegen de vijandelijke Watergeuzen te beschermen. Aan boord van de OE 43 zijn twee intacte met kalk gevulde houten tonnen aangetroffen. In Amsterdam werd er in die tijd volop gebouwd. Nu veronderstellen de archeologen dat dit schip onderweg was naar Amsterdam en derhalve ook geëscorteerd werd door soldaten.

Maar er is ook een tweede theorie mogelijk. Uit onderzoek blijkt dat de Watergeuzen de Spaanse vloot tijdens de Slag op de Zuiderzee in 1573 bestookten met ongebluste kalk. De Spaanse soldaten aan boord van de Inquisitie durfden daardoor niet aan dek te komen. De Watergeuzen versloegen de Spanjaarden. Gaat het om een Geuzenschip of om een Amsterdams vrachtschip? Om antwoord op deze en andere vragen te krijgen gaat het onderzoek in de zomer van 2012 door. Zolang is het schip met plasticfolie en grond afgedekt.

Doordat het schip zo dicht onder het maaiveld lag is er zuurstof bij het wrak gekomen en is het hout volledig vergaan. Alle cellulose is uit het hout verdwenen. Als de onderzoeken zijn afgerond wordt het schip geruimd.

Laaste Update woensdag, 03 augustus 2011