Meetstoel

Meetstoel
Meetstoel Meetstoel Meetstoel Meetstoel Meetstoel

Plaats: Bant

Locatie: Kuinderbos

Maker:

materiaal: hout

Jaar:


Beschrijving:

Het Kuinderbos werd in de periode 1947-1955 aangeplant. Het bos ligt 0,5 tot 3,00 m onder NAP, waarbij het zuidwestelijke deel het laagste ligt. De ondergrond bestaat grotendeels uit kalkrijke zandgrond, grond die ongeschikt was voor landbouwkundig gebruik. Het Kuinderbos, met een oppervlakte van 1.200 ha, is het grootste boscomplex in de Noordoostpolder. Zo kort na de Tweede Wereldoorlog was er gebrek aan allerlei soorten bouwmateriaal. Het was dan ook logisch het bos in te richten als productiebos met boomsoorten die ook op 'slechte' bodem snel hout leverden voor stutten voor de Limburgse mijnen of bielzen voor de spoorwegen of zaagsel voor de papierindustrie. Kenmerkend voor een productiebos is de overzichtelijke structuur, bomen in het gelid en rechte paden voor de houtafvoer. In de loop der jaren nam de vraag naar productiehout af. De mijnen gingen dicht, de spoorwegen stapten over op bielzen van gewapend beton en de papierfabrieken gingen steeds meer oud papier hergebruiken. Het productiebos werd door Staatsbosbeheer langzaam omgevormd tot een gevarieerd en afwisselend bos. 

Het Kuinderbos bestaat uit twee delen, het feitelijke Kuinderbos en het Burchtbos. In het Burchtbos staat een replica van een meetstoel. Landmeters begonnen hun werk al voor de drooglegging van de Noordoostpolder. Om het nieuwe land in kaart te kunnen brengen moesten de landmeters in het terrein kunnen beschikken over een net van gelijkmatig over het gebied verdeelde punten, waarvan de onderlinge ligging t.o.v. elkaar bekend was. De Dienst der Zuiderzeewerken (ZZW), die verantwoordelijk was voor de waterbouwkundige werken, liet 5 meetstoelen, bestaande uit een signaal en een pijler, oprichten van waaruit de polder opgemeten kon worden. Voordat de polder drooggevallen was werden vanaf een schip, op een van te voren door sextantmeting bepaalde plaats, twee zware eiken palen van 8 meter lengte zo diep ingeheid dat er ongeveer 3,5 meter boven de meerbodem bleef uitsteken. Eén van de palen kreeg een signaal van zo'n 7 meter lengte. Rondom de andere paal, de pijler, werd een op 4 kleinere palen steunend platform aangebracht, zodanig dat de pijler geheel vrij bleef van dit plankier. De pijler waaromheen het platform gebouwd was vormde het eigenlijke meetpunt. Door de 7 meter hoge richtpaal naast de meetstoel kon het meetpunt vanaf grote afstand gelokaliseerd worden. De meetstoel was met behulp van Snelliusmetingen, plaatsbepaling door middel van hoekmetingen, in het Rijksdriehoeknet opgenomen. De exacte positie werd bepaald aan de hand van kerk- en watertorens op het oude land. Bron: 40 Jaar landmeten voor het Zuiderzeeproject 1947-1987.

De lijnen van de meetstoel die tijdens de ontginning op deze plek stond waren gericht op de toren van de Rooms-Katholieke Kerk van Kuinre en de Nederlands Hervormde Kerk van Blankenham. De landmeters verrichtten alle meetwerk dat te maken had met de aanleg en inrichting van de Noordoostpolder. De exacte coördinaten van de meetstoelen waren voor hen het ijkpunt bij het vastleggen van bijvoorbeeld het vaarten- en wegenpatroon in de nieuwe polder. Om de waterlozing te bespoedigen werden de vaarten, zijvaarten en tochten al onder water getrokken voordat de polder drooggevallen was. Ook het profiel van de wegen werd toen al vastgelegd. Tevens werden de toekomstige dorpen en andere zaken op deze wijze voorbereid. Het opgebaggerde zand werd in onderlossers gestort, een drijvende stalen bak waarvan de bodem naar beneden toe kan openklappen. Vervolgens werd het zand op de plaatsen waar de toekomstige dorpen gepland waren gelost. Toen het laatste gat in de ringdijk gesloten was en de drassige grond boven water kwam te liggen werden de vaarten door de baggermolens opgeschoond. Het slib werd nu niet in bakken afgevoerd, maar via vloeigoten naar de kant van het kanaal. De landmeters gingen met sleden de drassige polder in om het nieuwe land in te meten. Later werden lichte tractoren gebruikt, de zogenaamde 'Bamse' een Volvo-trekker met rupsaandrijving. Met behulp van een theodoliet, een meetinstrument waarmee horizontale en verticale hoeken gemeten konden worden maar geen afstanden, en een boven het riet uitstekende stoel op de slede of 'Bamse' konden de landmeters de plaats, van bijvoorbeeld de as van een weg, ten opzichte van de verschillende meetstoelen bepalen.

Vanwege materiaalschaarste werden de meetstoelen na de oorlog afgebroken. Drie balken in het Kuinderbos was nog het enige wat restte van de stevig gebouwde houten constructie die daar ooit stond. De meetstoel is gereconstrueerd op basis van de nog aanwezige onderdelen. Landschapsbeheer Flevoland, Staatsbosbeheer en de vrienden van Schokland hebben samengewerkt aan deze reconstructie. Vanaf de parkeerplaats aan de Oosterringweg neemt u het schelpenpad richting Burcht. Na 200 m ligt de meetstoel aan de linkerkant.

Laatste Update maandag, 03 april 2017