Gedenksteen Cornelia

Gedenksteen Cornelia
Gedenksteen Cornelia Gedenksteen Cornelia Gedenksteen Cornelia

Plaats: Urk

Locatie: Wijk 5-106

Maker: onbekend

materiaal: natuursteen

Jaar: 1877


Beschrijving:

Op wijk 5-106 bevindt zich een pand uit 1877. De gevelsteen geeft informatie over de geschiedenis van het pand en de vroegere bewoners.

Willem Albertsz Romkes was visserman en voer met zijn zeilbotter UK 27 op zee toen het noodlot toesloeg. Aangekomen bij de visgronden werd besloten het net uit te zetten. Bij het vieren van de touwen die met de viskuil verbonden waren, stond Willem Romkes plotseling in een kink van het touw. De botter had een behoorlijke vaart, zodat bij het gespannen komen van de vislijn, Willems rechterbeen onder de knie werd afgeknepen. Groot was de paniek, ze voeren nog voor de zeilen en de koers werd gezet naar Amsterdam. Na een dag zeilen bereikte ze de begeerde haven van Amsterdam en Willem werd overgebracht naar het Wilhelmina Gasthuis. Daar aangekomen bleek algauw dat Willem een been moest missen. Bron: Urker Volksleven 30e jaargang nr.1, door Jelle Visser, zoon van de zus van Pietje Post, de latere schoondochter van Willem Romkes.

Maar er is ook een andere versie. Jenneke Romkes (1922-2003) beschrijft in het boek 'Cel 383, zing nog eens' het ongeluk van haar grootvader in het hoofdstuk 'Het houten been' als volgt. "Dat been verloor hij op 22-jarige leeftijd. Het was bekneld geraakt in een kabel, terwijl hij en zijn manschappen op de botter doende waren het net te vieren. Hij dreigde meegesleurd te worden. Om zijn leven te redden hebben zijn manschappen met een bijl het been afgehakt. Drie dagen hebben ze op zee rondgedobberd omdat de wind verstek liet gaan. Uit vrees dat hun baas het koudvuur zou krijgen, hebben ze hem al die dagen rechtop in een vat geconcentreerde pekel gezet. Toen de wind gunstiger werd koersten ze naar Amsterdam waar hij naar het ziekenhuis gebracht werd. Daar werd zijn been tot bijna zijn lies geamputeerd en kreeg hij een houten poot." Bron: Urker Volksleven 22e jaargang nr. 1. 

Op een dag kwam een welgestelde dame in het ziekenhuis. Zij bezocht mensen die hulp nodig hadden. Cornelia, zoals de dame heette, bleef bij Willems bed staan en vroeg wat hem scheelde. Willem vertelde haar over het ongeluk en de zorgen om de toekomst. Cornelia vroeg wat hij nog zou kunnen met één been. Willem, die daar al nachten over had liggen piekeren, antwoordde: "Misschien zou ik een winkeltje kunnen beginnen". Toen Willem na verloop van tijd naar huis mocht kwam Cornelia naar Urk. Zij gaf hem een bedrag aan geld om spullen te kopen die hij kon venten. Willem ging handelen in manufacturen. Met zijn houten been ging hij van huis tot huis. Hij hield het enkele maanden vol, zijn been deed echter te veel pijn. Willem schreef Cornelia een brief waarin hij haar vroeg hem te helpen om een winkel te laten bouwen. Destijds waren er tientallen familiewinkeltjes op Urk, vaak uit nood geboren. Er was een periode dat er op 3000 inwoners ongeveer 100 grotere en kleinere winkeltjes waren. Het stichten van een winkeltje ging toen nogal eenvoudig, een vestigingsvergunning was niet nodig. Cornelia gaf Willem geld, een gedeelte geschonken en een gedeelte als lening. Met dit geld en de opbrengst van de botter kon hij een winkel beginnen. 'Willem min z'n houten bien' zoals hij op Urk genoemd werd, kon een aannemer opdracht geven tot de bouw. Het werd een winkel annex woning met gemetselde gevel met beschoten geveltop. In de voorgevel werd een gevelsteen met een door Willem zelf geschreven gedicht geplaatst:

Christen die dit huis aanschouwd.
O, zie toch de hulp des Heeren.
Rijk aan liefde, 't is gebouwd.
Naar mijn wensch en mijn begeeren
Elkeen die deez woning ziet.
Love en prijze Gods ontferming.
In mijn druk liet Hij mij niet.
Angstig roepen om bescherming.
1877.

In dankbare herinnering aan zijn weldoenster vermeldde Willem haar naam in het gedicht. Wie de beginletters van het rijm van boven naar beneden leest ziet de naam 'CORNELIA'. Een gedicht waarvan de beginletter van elke regel een naam van een persoon vormen noemen we een naamdicht, een lettervers of acrostichon. Het woord acrostichon is ontleend aan het Griekse akrostikhís wat gemarkeerde regel betekent. Acrostichon is gevormd uit de Griekse woorden ákros ‘uiterst, hoogst, uitstekend’ en stíkhos ‘rij, vers’.

Er braken betere tijden aan voor de op 29 november 1849 op Urk geboren Willem Albertsz Romkes. Op 4 mei 1878 trouwde hij op 28-jarige leeftijd met de 19-jarige, op Urk geboren Jannetje Jochems Hennink (1858-1941). Zij kregen 6 kinderen, 4 zonen en 2 dochters. Willem overleed op 21 april 1931 op 81-jarige leeftijd en werd begraven op de begraafplaats van het Kerkje aan de Zee in een familiegraf (nr. 570) zonder grafsteen. In het graf zijn ook zijn vrouw, oudste zoon Albert Willemsz. (1879-1969) en schoondochter Pietje Jelles Post (1892-1980) begraven. 
 
Toen Willem te oud werd om zijn winkeltje nog langer te runnen kocht hij een huisje achter de winkel/woning. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Albert Willemsz. die het manufacturenwinkeltje uitbreidde met kruidenierswaren, wat hem later de bijnaam 't Koopmannetjen of de Koopman opleverden. Albert had graag dokter willen worden, maar moest als oudste zoon de winkel van zijn vader overnemen. Ondertussen bestudeerde hij wel geneeskundige boeken. Naast winkelier was hij ook een beetje 'dokter'. Onder de toonbank had hij verschillende flessen met kruiden en lijnolie staan. Menig Urker kwam bij hem om raad vragen voor een kwaal. In 1905 werd de Gemeentelijke Visafslag Urk opgericht en in gebruik genomen. In het voorjaar tijdens de haringcampagne fungeerde Albert Romkes vaak als een soort 'rekenmachine' voor de directeur van de visafslag Ide Koffeman.
 
Bronnen: Urker Volksleven 30e jaargang nr.1, 4e jaargang nr. 24 en 22e jaargang nr. 1; arnoldlens.nl; online-begraafplaatsen.nl

Albert Willemsz. Romkes die op 31 december 1879 geboren was, bleef lang vrijgezel. Op 5 mei 1922 trouwde hij op 43-jarige leeftijd met de 30-jarige, op Urk geboren Pietje Jelles Post. Hun huwelijk bleef kinderloos. Tijdens de Tweede Wereldoorlog namen ze Betsie Levin op in hun huis op Wijk 5-106. Betsie, officieel Betje Rachel Levin, werd op 19 februari 1927 in Appingendam geboren. Door gedragsproblemen werd het Joods-orthodoxe meisje in 1939 opgenomen in het gezin van een oom en tante in Amsterdam. Na een grote razzia keerden zij niet meer terug naar huis. De dan 17-jarige Betsie werd door de buren naar de wijkverpleegster Neeltje Feekman-Rot in Zaandijk gebracht en zij regelde via Bureau voor Oorlogspleegkinderen een pleeggezin. Door omstandigheden kon Betsie daar niet blijven. De pleegouders omschreven haar als "een moeilijk meisje. Zeer onzelfstandig". Zuster Feekman (tante Nel) zocht naar een oplossing. Tijdens de oorlog liepen er heel wat verzetslijntjes tussen de Zaanstreek en Urk. De Urker verzetsman Harmen Kramer ontfermde zich over het Joodse meisje. In februari 1944 werd ze van haar Zaanse onderduikadres overgebracht naar Urk. Samen met zuster Feekman reisden zij per trein naar Enkhuizen, waar Kramer en Betsie de boot naar Urk namen. Daar werd het meisje ondergebracht bij Lub Hoekman en zijn vrouw Hilletje Hoekman-Hakvoort. Helaas bleek dat Betsie daar niet op haar plek zat. Hoekman klopte aan bij Albert en Klaasje Ras-Visser op de Sluisput waar al de Joodse Rachel Cohen-Tafelkruijer ofwel tante Annie ondergedoken zat. Betsie luisterde slecht. Als er visite kwam wilde ze niet naar haar schuilplaats. Op zondag, als het gezin Ras naar de kerk was, kwam Betsie uit haar schuilplaats en trok de wc door na gebruik. Dit was gevaarlijk voor het gezin want de buren zouden dat kunnen horen. Na drie maanden kon moeder Klaasje het niet meer opbrengen en zei tegen haar man: "Je moet naar Hoekman. Ik kan hier niet meer tegen". Zo vertrok Betsie naar Cees Koffeman, maar ook hier kon ze niet lang blijven vanwege haar gedrag. Hierop werd een schuilplek gevonden bij de familie Van Slooten in een noodwoning aan de Slikhoogte. Vandaaruit werd ze geplaatst bij de familie van Klaas-Luut van Veen, waar ze wat buitenlucht kon opdoen op een met lakens en kleden afgedekt balkon. Betsie zwaaiden naar voorbijgangers en moest constant in de gaten gehouden worden. Met de komst van nieuwe Duitsgezinde buren werd het te gevaarlijk en kon Betsie ook daar niet langer blijven. Harmen Kramer kreeg weer de opdracht om een andere plek voor haar te zoeken.

Kramer was ten einde raad en ging naar de bevriende familie Oost. Hier werd de situatie besproken. Vanwege haar gedrag was ze onplaatsbaar en terug naar haar eigen familie ging niet. Ze zagen nog maar één oplossing: het meisje doodschieten. De vrouw des huizes wilde daar niets van horen en zei dat er geen bloed aan hun handen mocht kleven. Toch nam Kramer een pistool mee in zijn jaszak en liep met Betsie richting vuurtoren, terwijl aan de andere kant van het dorp de Duitsers bezig waren met huiszoekingen. Bij het hek van de begraafplaats bij het Kerkje aan de Zee bleef Kramer stilstaan en zond een smeekgebed omhoog om hulp en redding. Vervolgens liepen ze verder het dorp in. Harmen Kramer vertelde eens: "Ik liep toen bij Albert en Pietertjen Romkes (de Koopman) langs. Die had een winkel, daar waar nu meester Jan Hoefnagel woont, en ik ging daar binnen met het Joodse meisje. Ik heb alles aan Albert verteld: Je bent mijn laatste hoop, ik weet ook niet hoe ik bij jou ben gekomen, Albert, help dit kind! Wat er toen gebeurde is te mooi om te vertellen. Zij hebben dit Joodse meisje van mij overgenomen." Albert en Pietertje Romkes zorgden de rest van de oorlog voor Betsie, alsof het hun eigen kind was. 

Bronnen: Urk in oorlogstijd (Robert Hofman), joodsmonument.nl; joodsmonumentzaanstreek.nl, Urker Volksleven jaargang 17 nr. 2; Het Urkerland.