Duits-Nederlandse Windtunnels

Duits-Nederlandse Windtunnels

Plaats: Marknesse

Locatie: Voorsterweg 31

Maker: Wim Quist

materiaal: beton, staal en aluminium

Jaar: 1976-1980


Beschrijving:

Op 5 april 1919 werd de Rijksstudie voor de Luchtvaart (RSL) in het leven geroepen, die in 1937 opging in de stichting Nationaal Luchtvaart Laboratorium (NLL). In 1957 werd in het Voorsterbos een nieuwe locatie in gebruik genomen. Aan de Voorsterweg verrees een langgerekt tweelaags gebouw in functionalistische vormen onder architectuur van de Rotterdamse architect Huig Maaskant (1907-1977), die eind jaren dertig ook het ontwerp voor het hoofdkantoor van de NLL aan de Anthony Fokkerweg in Amsterdam had geleverd. In 1961 werd de ruimtevaart aan het werkveld toegevoegd en kreeg het instituut de naam Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR).

Eind jaren 1960 ontwikkelde het NLR plannen voor de bouw van een lage-snelheidswindtunnel in Marknesse. Zij vroegen architect Maaskamp en het Haagse ingenieursbedrijf BVN om voorstudies te maken. De Duitse zusterorganisatie de Deutsche Forschungs-und Versuchsanstalt für Luft-und Raumfahrt (DFVLR) had ook plannen voor een eigen windtunnel. Beide projecten bleken zodanig gelijk van opzet dat een gemeenschappelijke onderneming werd opgericht, de Stichting Duits-Nederlandse Windtunnel (DNW). Naast ingenieursbedrijf BVN werd tevens het Adviesbureau voor Bouwtechniek BV (ABT) uit Arnhem ingeschakeld. ABT schakelde op zijn beurt rijksbouwmeester professor Wim Quist in om te komen tot een esthetisch verantwoorde inpassing in het landschap. Aan architect Maaskant werd geen verdere opdracht verleend.

Naast de windtunnel zelf bestond het ontwerp uit een laboratoriumgebouw, een machinehal en een onderstation van de IJsselcentrale voor de electriciteitsvoorziening, dat werd aangesloten op de hoogspanningsleiding die over het laboratoriumterrein liep. Om een bouwvergunning te kunnen verlenen moest de gemeenteraad van Noordoostpolder voor het toen geldende bestemmingsplan eerst een voorbereidingsbesluit nemen, omdat op het terrein van het NLR maar tot een hoogte van 17 m gebouwd mocht worden. Het nieuwe complex zou 25 m hoog en ca. 50 x 90 m groot worden. 

Op 1 juli 1976 sloegen minister Tjerk Westerterp van Verkeer en Waterstaat en zijn Westduitse ambtsgenoot van Wetenschappelijk onderzoek en Technologie, Hans Matthoefer, de eerste paal voor de windtunnel op een perceel aan de Repelweg. Na een bouwtijd van 4 jaar werd de destijds grootste en modernste windtunnel ter wereld op 27 augustus 1980 door staatssecretaris Neelie Smit-Kroes van Verkeer en Waterstaat en de Westduitse staatssecretaris van Onderzoek en Techniek, Hans Haunschild, geopend. De totale bouwkosten bedroegen 125 miljoen gulden.

Omdat de ontwikkelingen in de luchtvaart toentertijd vooral gericht waren op de vliegveiligheid, met name start en landing, verbetering van de vliegtuigeconomie, zoals lager brandstofgebruik, en vermindering van de geluidshinder, kwam het accent steeds meer te liggen op goede eigenschappen van het vliegtuig bij lagere snelheden. Vandaar dat de windtunnel speciaal ontworpen is voor een snelheidsgebied van 10 tot 540 km/u. Het 140 m lange kanaal van de windtunnel is opgebouwd uit betonnen huidplaten en ringvormige stalen spanten. Het omloopkanaal, met variabele dwarsdoorsnede, is gedeeltelijk bijten het gebouw. Om temperatuurverschillen in de betonhuid te onderdrukken is de buitenzijde geïsoleerd en met aluminium bekleed. Het principe van de lage-snelheidswindtunnel komt er op neer dat met een 8-bladige schroef, met een diameter van ruim 12 m, lucht door het kanaal, waarin een schaalmodel van een vliegtuig opgesteld staat, wordt rondgestuurd. Ook deze aandrijving bevindt zich buiten de testhal. Aërodynamische onderzoek speelt bij de ontwikkeling van vliegtuigen een zeer belangrijke rol. In de lage-snelheidswindtunnel wordt vooral de start- en landingsfase van een vliegtuig gesimuleerd. Deze moeilijkste fases van het vliegen kenmerken zich door de beweging van het vliegtuig ten opzichte van de startbaan onder het vliegtuig. In Marknesse kan dit gesimuleerd worden door de vloer met een snelheid van bijna 300 km/u te laten bewegen. Het lawaai wordt via een circuit van microfoons geregistreerd.

In 1981 was de Duits-Nederlandse windtunnel een controverse in de bouwwereld. Het ontwerp dat architect Quist in samenwerking met de constructeurs en adviseurs gemaakt had, was in december 1980 bekroond met de Nationale Staalprijs 1980. De Rotterdamse architect Peter Gerssen (1932-2017), schoonzoon van architect Huig Maaskant, beschuldigde Wim Quist ervan dat hij gebruik gemaakt had van een ontwerptekening die Gerssen in 1971 als projectarchitect in dienst bij Maaskant had gemaakt. In een brief aan de secretaris van de commissie die de Staalprijs had uitgereikt eiste Gerssen terugtrekking van de toegekende prijs en bekendmaking van de naam van de werkelijke ontwerper. Als reactie hierop vertelde Quist destijds: "Toen ik de opdracht kreeg werd mij verteld dat architect Maaskant enkele studies had verricht, in samenwerking met BVN, die voor de nieuwe ontwikkeling geen rol meer zouden spelen. Geheel conform de gedragsregels in de architectenwereld heb ik toen Maaskant benaderd om hem de situatie voor te leggen. Ik heb hem daarbij gevraagd of zijn studies voor de windtunnel afgesloten waren en of hij ermee akkoord kon gaan dat ik in het nieuwe samenwerkingsverband een rol zou gaan spelen. Al deze vragen heeft Maaskant met ja beantwoord. Hij heeft mij succes gewenst bij het verdere werk. Ik heb hem niet gevraagd mij inzage te geven in zijn studies. Van het bestaan van een architect Gerssen wist ik toen niets". Volgens de architectenraad werd Quist ten onrechte beschuldigd van plagiaat. Architect P.J. Gerssen kreeg een schriftelijke berisping. De raad vond dat Gerssen geen beroep kon doen op de oorspronkelijkheid van een tekening voor een windtunnel die hij had overlegd, omdat het grondprincipe voor zo'n tunnel bepaald wordt door de eisen van de aerodynamica. "Quist is 'zelfstandig-creatief' opgetreden bij de vormgeving. Blijkens zijn tekening is Gerssen aan een dergelijke vormgeving nimmer toegekomen" aldus de raad. Saillant detail: In 1973 was Gerssen ook al met Maaskant in conflict gekomen toen hij het ontwerp van het Adriaan Volkerhuis claimde. Daarop verliet hij het bureau van Maaskant en startte een eigen praktijk. 

Op 9 februari 1984 opende minister Neelie Smit-Kroes van Verkeer en Waterstaat een tweede lage-snelheidswindtunnel. De nieuwe tunnel in Marknesse verving de hoge-snelheidstunnel (HST) en een supersone tunnel van de NLR aan de Anthony Fokkerweg in Amsterdam. In eerste instantie was het NLR een onderzoekscentrum voor de luchtvaart. Maar door de recessie in de vliegtuigbouw werd er ook onderzoek verricht van niet luchtvaart-technische aard zoals bijvoorbeeld windhinder rond gebouwencomplexen, verspreiding van afvoergassen, projecten bij booreilanden en schepen en windenergieprojecten. De tunnel was door zijn constructie ook uitermate geschikt voor het testen van personenauto's en vrachtwagens. Ter voorkoming van bedrijfsspionage waren er aan de testhal drie afzonderlijke parkeerruimten vastgebouwd voor de opslag van groot materieel, die voor ongenode gasten potdicht bleven. De windtunnel werd uitgebreid met twee uitwisselbare meetplaatsen. De grootste had een afmeting van 9,5 x 9,5 m.

In juni 2006 kreeg de DNW een Europese subsidie van 1 miljoen euro voor het moderniseren van het aandrijfsysteem van de 8-bladige schroef. Het besturingssysteem voldeed niet meer aan de eisen van de tijd. De windsnelheden moesten steeds nauwkeuriger gemeten worden en dat kon niet meer met de 30 jaar oude apparatuur. Op 7 oktober 2009 maakte verkeersminister Camiel Eurlings op een congres ter gelegenheid van het 90-jarig bestaan van het NLR bekend dat Nederland en Duitsland samen 5,5 miljoen euro investeerden in de modernisering van de windtunnels in Marknesse.

Bronnen: Nederlands Dagblad, Leeuwarder courant, NRC Handelsblad en Omroep Flevoland

Architect

Wim Gerard Quist werd in 1930 geboren. In 1960 sluit hij zijn studie aan de Academie voor Bouwkunst in Amsterdam af en richt hij zijn architectenbureau op. Twee jaar daarvoor in 1958 ontving Quist de zilveren medaille in de Prix de Rome. Dit is een Nederlandse 'staats' prijs voor kunstenaars en architecten tot 35 jaar. De prijs is bedoeld ter stimulering van de artistieke ontwikkeling, in een internationale context. In 1970 ontving hij de A.J. van Eyckprijs.

De rationalist Quist gebruikt bij voorkeur geometrische vormen als cirkel, vierkant of driehoek. Hij maakt graag variaties op de vorm van een doos. De zichtbare constructie, lichte gevels en een strakke vormgeving zijn kenmerkend voor het werk van Wim Quist. In de periode 1968 – 1975 is hij hoogleraar aan de TU Eindhovenen van 1975 t/m 1979 Rijksbouwmeester.

Zijn eerste grote bouwwerk was het grootste bedrijf voor drinkwaterzuivering in Nederland, Berenplaat in Spijkenisse(1966). Het ontwerp van het Cobramuseum in Amstelveen, Museum Beelden aan Zee in Scheveningen en het Maritiem museum in Rotterdam zijn van de hand van Quist. Ook voor de uitbreiding van het Kröller Müller Museum in Otterlo en de Zuidvleugel van het Rijkmuseum Amsterdam tekende hij. Het gebouw bij de stormvloedkering van de Oosterschelde is ook van hem.

In de Provincie Flevoland zijn de volgende gebouwen die door Wim Quist ontworpen zijn te vinden: Duits-Nederlandse Windtunnel Marknesse (1976-1980), Bibliotheek Jol, (1982, nu gezondheidscentrum) in Lelystad, Gemeentehuis, politiebureau en brandweerkazerne in Zeewolde (1983-1987, uitbreiding in 1997), Verkeersschool Lelystad (1986-1990) en het Politiebureau Zeewolde (1990-1997).

Laatste Update dinsdag, 16 juni 2020