Una Sancta

Una Sancta

Plaats: Espel

Locatie: Westrand 42-44

Architect: Jan Chr. Heese

materiaal: Baksteen, beton, glas, koper

Jaar: 1961-1962


Beschrijving:

In Espel waren net als in de andere dorpen in de Noordoostpolder drie kerken gepland maar van de bouw van een hervormde kerk is het niet gekomen. Nog voordat de eerste huizen in Espel gebouwd waren werden in de kantine van kamp Espel al kerkdiensten gehouden. Doordat de gereformeerden en hervormden al gezamenlijk van de kantinezaal gebruik maakten, besloot men samen één kerkzaal te stichten. Op 9 januari 1960 stond in het Parool, en een paar dagen later in andere kranten, dat de classis Emmeloord van de gereformeerde kerken en de centrale kerkenraad van de hervormde gemeente in de Noordoostpolder aan Professor M.F. Duintjer te Amsterdam de opdracht verstrekt hadden tot het ontwerp van een 'protestants kerkcentrum' in Espel. De stichtingskosten van het complex werden beraamd op ƒ 280.000,-. Waarom Duintjer het definitieve ontwerp niet gemaakt heeft is onduidelijk. De kerk werd uiteindelijk gebouwd naar een ontwerp van architect Jan Chr. Heese. Op 17 mei 1961 werd de eerste steen gelegd door de gereformeerde predikant ds. B. Oosterhoff en de dominee van de hervormde kerk, ds. A.J. van der Linden, die beurtelings de troffel hanteerden. In de steen zijn de woorden ‘Una Sancta’ aangebracht, de ‘enige heilige’. In een toelichting wees ds. Oosterhoff er op dat met deze woorden uitdrukking wordt gegeven aan het geloof dat de ene heilige kerk bestaat. Het bouwen van het interieur voor de kerk Una Sancta werd begin september 1961 opgedragen aan de N.V. Schuitmaker uit Echtenerbrug. Op 8 maart 1962 werd het kerkcentrum in gebruik genomen. Het architectonisch opvallende kerkgebouw heeft een prominente plaatsing aan het eind van de hoofdbrink. Als tweede kerk in Nederland bood Una Sancta onderdak aan zowel de gereformeerde als de hervormde inwoners van het dorp. Gezamenlijke diensten bleven beperkt tot bijzondere gelegenheden en de kerkelijke feestdagen. 

De kerk bevat een mechanisch sleepladen-orgel dat in 1961 gebouwd werd door Ahrend & Brunzema uit het Noordduitse Leer. Bij de nieuwbouw van orgels binnen de Hervormde kerk was na de Tweede Wereldoorlog altijd de ‘Synodale Orgelcommissie der Nederlandsche Hervormde kerk' betrokken, in de wandeling de Hervormde Orgelcommissie genoemd. Door invoering van de nieuwe kerkorde in 1951 kreeg de commissie veel macht en zag door haar alleenrecht kans nadrukkelijk haar stempel op de naoorlogse orgelbouw te drukken. Het klankideaal dat de Hervormde Orgelcommissie nastreefde, was dat van de Noord-Duitse barok. In ogen van de commissie benaderde de Deense orgelbouw, en in het bijzonder de orgelmaker Marcussen, dit ideaal het meest en werd daarom ten voorbeeld gesteld aan de Nederlandse orgelbouw. Adviseur tijdens de bouw van het Ahrend & Brunzema-orgel voor de Una Sancta was de drijvende kracht achter de bouw van 'neo-barokke' orgels, Lambert Erné. Het orgel werd op 8 maart 1962 in gebruik genomen met bespeling door Erné. Het orgel heeft een aangehangen pedaal wat wil zeggen dat het voetklavier niet zelfstandig bespeeld kan worden omdat het geen eigen windlade met eigen registers heeft. De pedaaltoetsen zijn rechtstreeks verbonden met de corresponderende toets van het manuaal. Als de organist met de voet een pedaaltoets indrukt wordt de daaraan verbonden manuaaltoets naar beneden getrokken en klinkt de toon die daarbij behoort. Het pijporgel is staande in de kerk geplaatst. Kenmerkend is de symmetrische vormgeving en het zogenaamde 'kistjesfront'. Decoratieve rasters sluiten de ruimte tussen het pijpwerk en de bovenzijde van de orgelkas af. Nadat het orgel in 2006 binnen de kerkzaal verplaatst was heeft orgelmaker Sander Booij uit Woudenberg het instrument op mechanisch gebied grondig nagezien en minimale intonatiecorrecties uitgevoerd, zonder het klankconcept aan te tasten. Kijk hier voor foto's en de dispositie van het orgel.

Halverwege de jaren vijftig groeide de behoefte naar kerkgebouwen met meer nevenruimten. Er moest niet alleen ruimte zijn voor de zondagse eredienst, maar ook voor doordeweekse activiteiten. De aandacht voor een meer wijkgerelateerde rol van de protestantse kerk leidde tot diverse oplossingen voor de plek van de nevenruimte. De Una Sancta is een vroeg voorbeeld van een protestants kerkgebouw waarbij een aantal nevenruimten als aparte kubische volumes tegen de kerkzaal zijn gebouwd. Het kerkcomplex behoort daarom tot het type doosvormige kerk. Op verzoek van de overheid werd de grote zaal zo ingericht dat deze als gymnastiekzaal kon worden verhuurd aan de gemeente Noordoostpolder. De gevels van het complex zijn opgetrokken van bruinrode en grijsgele baksteen uitgevoerd in schoon metselwerk in wildverband. De nevenruimtes golden als een overgangsruimte tussen de buitenwereld en de kerk en waren afgezonderd van de liturgische ruimte die alleen bedoeld was voor de eredienst. De rechthoekige kerkzaal wordt geaccentueerd door een schaaldak inspringend op de muur. Het bijzonder vormgegeven dak met koperen dakbedekking is een speels accent in het verder strak vormgegeven ontwerp. Het interieur wordt gekenmerkt door beslotenheid.

Halverwege de jaren vijftig ontstonden er andere ideeën over liturgie. De nieuwe liturgie vereiste wijde ruimtes zonder veel franje en in plaats van architecturale structuur kreeg nu licht een bepalende rol in de kerkruimte om te zorgen voor een goddelijke en mystieke sfeer. Hier was ook de taak voor de architect weggelegd, want hij moest gaan zoeken naar manieren om een zee van stralend licht binnen te halen die de beleving van de liturgie kon ondersteunen. Bij het ontwerp van het protestantse kerkcentrum ging architect Jan Heese in zee met kunstenaar Harry op de Laak, wiens werk zicht kenmerkt door het abstraheren van de figuratie. Deze ontwierp in de noordelijke muur van de kerkzaal een smalle horizontaal gelede band glas die uitgevoerd is in de techniek van glasappliqué. Het rustige, aquarelachtige effect verkreeg de kunstenaar door verschillende transparante lagen gekleurd glas over elkaar heen te leggen. Door het gebruik van kleurloze en onzichtbare lijm en het versmelten van glaslagen ontstonden meer mogelijkheden en vrijere vormen dan bij het traditionele glas-in-lood. Door het verschil in dikte en overlap van kleur ontstaat een spel van kleur en licht. De acht glasappliqué ramen verbeelden het scheppingsverhaal, het verhaal over God die hemel en aarde heeft geschapen in zes dagen. Het verhaal begint met de schepping van het licht en eindigt met het hoogtepunt van de schepping, de mens geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Op het eerste raam heeft op de Laak de zon en de maan afgebeeld, vervolgens de vissen, vogels, planten en dieren. Op het zesde raam zijn een naast elkaar zittende man en vrouw te zien. Op de zevende dag was Gods schepping voltooid, en rustte hij. Behalve op dag twee eindigt iedere dag van het verhaal met: 'En God zag dat het goed was’. Deze tekst staat op het achtste raam.

In de achterwand van de kerkzaal bevindt zich een glasappliqué-in-beton, een techniek waarbij het glas in beton werd gegoten. Het venster is uitgevoerd in blauwe, witte en gele tinten. In het midden zien we een hand die een witte duif loslaat. Harry op de Laak liet zich voor dit kunstwerk inspireren door de geschiedenis van Noach. De mensheid ontspoorde en God had spijt dat hij de aarde had geschapen. Hij koos voor een nieuw begin en liet de aarde onder water lopen. Alles wat leefden kwam om. Alleen Noach en zijn gezin overleefden de zondvloed door een ark te bouwen waarin zij van elk dier twee exemplaren meenamen en van sommige zeven. Het water zakte langzaam. Om te kijken of de aarde al droog was zond Noach een raaf uit, een aaseter, maar die keerde terug. Dan laat Noach een duif uit de ark vliegen, deze leeft van planten en zaden. De eerste keer vloog de duif rond en kwam terug naar de ark. De tweede keer kwam ze terug met een takje en een blad van de olijfboom, een teken dat er een begin van nieuw leven was, van hoop. Toen de duif bij de derde keer wegbleef wist Noach dat de aarde droog was en dat de mensen weer opnieuw mochten beginnen. De glasappliqué-in-betonvensters zijn in dit kerkgebouw het focuspunt waaromheen de bouwmassa is gecreëerd. Aan de buitenmuur, precies ter hoogte van het glasappliqué-in-beton, maakte Op de Laak een wandreliëf met een verwijzing naar De Gelijkenis van de Zaaier. Het glasappliqué binnen en het kunstwerk buiten zijn onlosmakelijk met elkaar en met het gebouw verbonden. In het betonnen ajourreliëf heeft Op de Laak acht openingen uitgespaard om licht door te laten voor het glasappliqué in de kerkzaal.

Het was destijds vernieuwend dat bij de bouw van de Una Sancta samenwerking was tussen de architect en een monumentaal kunstenaar. Eeuwenlang waren in de Protestante Kerk geen beelden of afbeeldingen aanwezig aangezien het woord het belangrijkste deel van de liturgie was. Oorzaak voor de wending was een rapport dat uitgebracht was aan de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, getiteld 'Beginselen van kerkbouw'. Kunstenaars konden volgens het rapport bijdrage aan de verrijking van de eredienst. Hierdoor ontstond hernieuwde belangstelling voor christelijke kunst en kwam er een nieuwe visie op kunst vanuit de protestantse kerk. Er werd aandacht besteed aan de didactische waarde van kunst, de verbeelding van de Bijbel, omdat de mens destijds sterk visueel was ingesteld. Toegepaste kunst kreeg een voor de sober geachte Protestantse kerken een opvallend prominente plaats. 

Voor het kerkcomplex staat een uit beton/gipselementen opgebouwde vrijstaande toren. De kerktoren heeft een ronde grondvorm en is naar boven schuin afgesneden als vingerwijzing naar Boven. De toren, waarvan de bouw door de overheid werd gesubsidieerd, heeft als bijzonder element een klok als uitkraging. De overgang van de publieke/profane ruimte naar de sacraliteit van de kerk wordt gevormd door het afdak dat de toren met het ingangsportaal in de westgevel verbindt. Bij het binnenkomen van de kerk is er vanuit de entree visueel contact met de binnentuin. Deze tuin vormt een belangrijk element binnen de beleving van het kerkgebouw. Vanuit de kerkzaal is dit contact minder, maar in beide gevallen verwijst het contact naar de verheerlijking van het Koninkrijk Gods, de tuinen waarin God wandelt. De metalen roos die in de tuin staat is gemaakt door beeldhouwer Herman van der Heide (1917-2003). De gestileerde roos, die een geschenk van architect Jan Heese was, dient als symbool van liefde tussen God en de mens.

In de eerste jaren van 2000 is het kerkcentrum gerenoveerd en heeft een andere functie gekregen. De naam is veranderd in 't Mozaïek. Naar een ontwerp van de Haarlemse kunstenaar Piet Tuytel (1956) heeft de van oorsprong witte toren gekleurde strepen gekregen. De kleurstelling in rood en blauwe tinten vormen een afspiegeling van de leeftijd van de gebruikers. .

Laatste Update zondag, 10 mei 2020