Zuiderzeewet

Zuiderzeewet

Wisselingen in de regering hadden steeds weer uitstel ten gevolg. Nadat Lely in 1897 in het kabinet Pierson opnieuw minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid was geworden, diende hij in 1901 een nieuw wetsontwerp in voor de aanleg van een afsluitdijk en de aanleg van de twee kleinste polders, maar na de verkiezingen keerde dit kabinet niet terug. De nieuwe minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid Johannes Christiaan de Marez Oyens (1845-1911) een tegenstander van de Zuiderzeewerken, was niet overtuigd van de technische uitvoerbaarheid van Plan-Lely en trok het wetsontwerp in. Toen ir. Cornelis Lely in 1913 aan zijn derde ambtstermijn als minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid in het kabinet Cort van der Linden begon stelde hij de voorwaarde dat de inpoldering van de Zuiderzee in het regeringsprogramma werd opgenomen. In de troonrede 16 september van dat jaar sprak koningin Wilhelmina de woorden: "Ik acht den tijd gekomen om de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee te ondernemen. Verbetering van den waterstaatkundige toestand der omliggende provinciën, uitbreiding van grondgebied en blijvende vermeerdering van arbeidsgelegenheid zullen daarvan het gevolg zijn. Een wetsontwerp tot uitvoering van die afsluiting en gedeeltelijke drooglegging zal U worden aangeboden”. De zaak kwam in een stroomversnelling toen tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) de voedselvoorziening een alles overheersend vraagstuk was geworden in het neutrale Nederland en nieuwe landbouwgronden het land in staat zouden stellen beter in de eigen voedselbehoefte te voorzien. De druk werd groter door de stormramp die Nederland op 13 en 14 januari 1916 trof. Doordat het water op dat moment al hoog stond in de Zuiderzee braken er dijken door een noordwesterstorm, traden rivieren buiten hun oevers en liepen kades en polders in Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland, Noord-Holland en Utrecht onder water. De Zuiderzeevloed toonde de kwetsbaarheid van de gebieden rond de Zuiderzee eens te meer en zette Plan-Lely weer op de kaart. Als minister diende Lely het wetsontwerp tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee op 9 september 1916 in bij de Tweede Kamer. Minister van Financiën Anton van Gijn (1866-1933) verzette zich vanwege de door hem verwachte hoge rente. Mr. Gerard Vissering (1865-1937) wist als directeur van de Nederlandse Bank en tevens voorzitter van de Zuiderzeevereniging het verzet tegen de plannen uit financiële kringen keer op keer te breken.

In 1918 werd de Zuiderzeewet uiteindelijk goedgekeurd, een Zuiderzeedienst opgericht en een Zuiderzeeraad ingesteld (art. 5 Zuiderzeewet 1918). De Zuiderzeeraad bestond uit 37 leden. Ir. Lely werd tot voorzitter benoemd met als vice voorzitter dr. Hendrikus Colijn (1869-1944) en mr. Gerard Vissering. De Zuiderzeeraad had tot taak de regering over de uitvoering van het Zuiderzeeproject te adviseren. De raad liet onderzoeken hoe de Zuiderzee afgesloten en ingepolderd kon worden. Aannemers, die ervaring hadden met waterbouwkundige werken, gingen onder leiding van de Zuiderzeeraad aan het werk. Omdat de overheid de Zuiderzeewerken als een uitzonderlijk project beschouwde, werd in de Zuiderzeewet besloten een apart fonds te stichten voor de financiering van deze werken. Hierdoor bleef het project buiten het normale begrotingsbeleid van de overheid. Het Zuiderzeefonds, dat onder toezicht stond van de minister van Verkeer en Waterstaat, moest dienen om de Zuiderzeewerken te financieren totdat deze waren voltooid. In 1919 stelde de Zuiderzeeraad de Dienst der Zuiderzeewerken in met Hendrik Wortman (1859-1939) als directeur-generaal en Victor Jean Pierre de Blocq van Kuffeler (1879-1963) als tweede man. Deze dienst had als taak de Afsluitdijk en de dijken van de IJsselmeerpolders aan te leggen. In 1920 gingen de Zuiderzeewerken van start met de bouw van een dijk door het Amsteldiep. Als onderdeel van de Zuiderzeewerken werd in 1927 begonnen met de Afsluitdijk. Ir. Cornelis Lely heeft zijn levenswerk niet in voltooide vorm mogen aanschouwen. Er lag 6 km dijk toen hij op 22 januari 1929 onverwachts op 74-jarige leeftijd in Den Haag overleed. 

Bron afbeelding: historiek.net

Laaste Update donderdag, 01 januari 1970