Short Stirling III BK716

Short Stirling III BK716

Plaats: Almere

Locatie: IJsselmeer nabij Blocq v. Kuffeler

Maker: Austin Motors Ltd.

materiaal: aluminium e.a.

Jaar: 1924


Beschrijving:

In de nacht van 29 op 30 maart 1943 namen 329 toestellen van de Royal Air Force deel aan een bombardementsvlucht op de Duitse stad Berlijn. De aanvalsmacht bestond uit 162 Lancasters, 103 Halifaxes en 64 Stirlings. Vanwege een dik wolkendek en ijsaanzetting op de vliegtuigen was de aanval niet echt succesvol, alhoewel er redelijk veel schade in Berlijn werd gemeld. Van de 329 toestellen keerden 120 eerder terug en 21 kwamen nooit meer op hun basis aan, waaronder de Short Stirling MK. III met registratienummer BK716 en rompcode HA-J. De BK716 was één van een serie van 42 toestellen die tussen januari 1942 en juni 1943 geleverd zijn door Austin Motors Ltd. De bommenwerper was ingedeeld bij het No. 218 "Gold Coast" Squadron RAF en was gestationeerd op de vliegbasis Downham Market in het Engelse Norfolk.

Op de avond van 29 maart steeg de Short Stirling BK716 om 21.30 uur op van de thuisbasis. Aan boord waren de 29-jarige piloot F/O. John Frederick Harris, de 22-jarige boordwerktuigkundige Sgt. Ronald Kennedy, de 24-jarige waarnemer F/O. Harry Gregory Farrington, de 20-jarige radiotelegrafist/bommenrichter Sgt. Charles Armstrong Bell, de 30-jarige boordschutter F/O. John Michael Campbell, de 30-jarige boordschutter Sgt. Leonard Richard James Shrubsall en de 20-jarige boordschutter Fl/Sgt. John Francis James McCaw. Na het bombardement werd de terugkerende formatie bommenwerpers bestookt door Duitse nachtjager die opgestegen waren van vliegveld Deelen en Twente. De Duitse nachtjagers claimden die nacht 9 overwinningen. Van de Short Stirling BK716 werd niets meer vernomen. 

Eind 2008 werd door het KNRM station Marken tijdens een reddingsoperatie van een zeiljacht een deel van een propeller omhoog gehaald uit het Markermeer, 3,5 km ten westen van de Blocq van Kuffeler. De propeller werd door de te hulp geroepen Aircraft Recovery Group 1940-1945 herkend als een onderdeel van een Engelse Stirling bommenwerper. Een röntgenfoto wees uit dat het ging om de Short Stirling BK710.

In 2018 werd door het kamerlid Stieneke van der Graaff in de Tweede Kamer een motie ingediend. De motie verzocht de regering te komen tot een nationaal bergingsprogramma voor ca. 30 tot 50 vliegtuigwrakken waarin zich mogelijk stoffelijke resten bevinden van vermiste piloten en bemanningsleden. De motie werd aangenomen. In het kader van het Nationaal Programma berging vliegtuigwrakken besloot de gemeente Almere in april 2019 om 1 miljoen euro uit te trekken voor de berging van de Short Stirling BK710. De berging zou in 2020 plaatsvinden. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het ministerie van Defensie ondersteunen de gemeente bij de berging met geld en advies.

Eind juni 2019 werd echter bekend dat het vliegtuigwrak in het Markermeer niet de Short Stirling BK710 was maar de BK716. In 2019 was het boek Nachtjagd Combat Archive 1943 deel 1 van Dr. Theo Boite verschenen. Op pag. 52 van dit boek wordt vermeld dat de Duitse nachtjager Lt. Werner Rapp van 7./NJG1, geleid door radarstation 'Hase' bij Harderwijk, op 30 maart 1943 om 04:49 uur op 4300 m en 2 - 4 km ten oosten van Marken een nooit geïdentificeerde Stirling van de aanval op Berlijn had neergehaald. Bron: ZZairwar. Lt. Werner Rapp had al 2 overwinningen op zijn naam staan toen hij samen met radiotelegrafist/boordschutter Hans Ortmann om 03.30 uur opsteeg van vliegveld Deelen, nabij Arnhem. De Messerschmitt Bf110 werd toegewezen aan radiosector 'Hase'. Zij werden richting de Lancaster ED761 geleid. Ten westen van Vinkeveen werd de aanval geopend. Het toestel werd geraakt en stortte om 04.11 uur neer in een weiland bij Waverveen. Achtendertig minuten later werd, naar nu duidelijk is, de BK716 boven het IJsselmeer neergeschoten. Die nacht had Lt. Rapp 14 doden op zijn geweten.

Het nummer op de in 2008 gevonden aluminiumplaat was zeer slecht te lezen, waarop de Aircraft Recovery Group de hulp inriep van de forensische recherche in Amsterdam. Na een uitgebreid onderzoek bevestigde zij dat het hier ging om de BK716. Ook de initialen J.M.C. op een gevonden sigarettenhouder kwamen niet overeen met één van de bemanningsleden van de BK710 maar wel met die van boordschutter John Michael Campbell van de BK716. Met de brokstukken uit 2008 was ook een houten olifant boven water gekomen. Omdat bekend was dat de BK710 ingedeeld was bij het het No. 149 'Oost-India' Squadron lag een olifant als mascotte voor de hand. De olifant was echter logischer voor de BK716 van het No. 218 'Gold Coast' Squadron. In die dagen was Gold Coast de naam voor de Britse kolonie die in 1957 de onafhankelijke staat Ghana zou worden. De Gold Coast had een olifant in zijn nationale vlag. Ook staatsorganisaties hadden de olifant als symbool. Het No. 218 Squadron voerde een zandloper met de tekst 'In time' in hun badge (insigne) omdat het eerste No. 249 'Gold Coast' Squadron al een olifant voerde. Maar als mascotte gaf het No. 218 Squadron de voorkeur aan de olifant. Bron: ZZairwar. 

De berging van de BK716 zou op 30 maart 2020 starten. Op basis van een grondige risicoanalyse door Defensie, is in overleg met de gemeente besloten de berging van het vliegtuigwrak uit te stellen. De geplande bergingsmethode onder water bleek risico’s met zich mee te brengen. Dit komt omdat er in het vliegtuigwrak mogelijk nog munitie aanwezig is. Hoewel deze risico’s klein zijn, neemt Defensie het zekere voor het onzekere. Na een langere voorbereidingstijd startte de berging op 31 augustus 2020 en zal naar alle waarschijnlijkheid vier tot vijf weken duren. Pas als de wrakstukken en eventuele stoffelijke resten geborgen zijn, kan officieel worden bepaald om welk toestel het gaat en wie er aan boord waren. Tijdens de eerste week van de berging zijn honderden brokstukken naar boven gehaald. Op 4 september 2020 werd bekend gemaakt dat een van de motorblokken bij de bergingswerkzaamheden is gevonden. Dankzij het registratienummer op de motor is nu zeker dat het om de BK716 gaat. Tijdens de werkzaamheden zijn ook munitie en andere spullen geborgen. Op 21 september werd bekendgemaakt dat bij de berging stoffelijke resten geborgen zijn. Onderzoek door de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht (BIDKL) moet uitwijzen of het hier om stoffelijke resten van de bemanning van de BK716 gaat.

Eind 2019 besloot de gemeente Almere om ter nagedachtenis van de omgekomen bemanningsleden van de BK716 een monument op het Herdenkingsveld in het Bos der Onverzettelijken te plaatsen. Op 6 juli 2020 werd bekend dat de kunstenares Laura O'Niell een kunstwerk gaat maken dat bestaat uit een wrakdeel waarop een manshoge jonge piloot zit. De piloot is aan zijn kleding herkenbaar als vlieger uit de Tweede Wereldoorlog. Hij kijkt naar de vlaggenmast die op het herdenkingsveld staat, en nodigt daarmee huidige generaties uit om te herdenken. Op 30 maart 2021, 78 jaar na de crash, zal er in het Bos der Onverzettelijken een herdenkingsceremonie zijn, als de coronamaatregelen dat toelaten in het bijzijn van nabestaanden. Tijdens deze ceremonie wordt het kunstwerk 'Rise' onthuld.

Laatste Update maandag, 21 september 2020