Tjalk OT21
Plaats: Biddinghuizen
Locatie: Zeebiesweg 3, kavel OT21
Maker:
materiaal: eikenhout
Jaar: 18e/19e eeuw
Beschrijving:
Bij het greppelen werd in 1963 op kavel OT21 aan de Zeebiesweg in Biddinghuizen een scheepswrak ontdekt, dat nog hetzelfde jaar verkend werd. Vijf jaar later werd begonnen met de opgraving. In Driemaandelijkse berichten betreffende Zuiderzeewerken jaargang 49, 4e kwartaal 1968 schreef Gerrit van der Heide: "Er is begonnen met het uitgraven van het wrak van een met Friese, gele steentjes geladen schip - vermoedelijk een kleine tjalk - vergaan in het laatst van de 18e of in het begin van de 19e eeuw. Bij dit graafwerk zijn vele vondsten van de scheepshuishouding aan het licht gekomen: talrijke kopjes en schoteltjes van Engelse makelij - vermoedelijk vroeg Wedgwood - gekleurd met opgedrukte figuurtjes (vroege vorm van deze techniek, die in Nederland is overgenomen in het midden van de vorige eeuw). Voorts is er rood aardewerk gevonden in het schip: schotelgoed met blauwe versiering, koperwerk, een Engels steengoed theepot, tinnen vaatwerk, enz. Alles bijeen is het een fraaie en complete huishouding, die een duidelijk beeld geeft van het gebruiksgoed uit bovengenoemde periode". In jaargang 50, 2e kwartaal 1969 staat vervolgens: "Het uitgraven van het scheepswrak op kavel OT21 is begonnen. Het blijkt uit de vondsten dat het schip in de 19e eeuw is vergaan, geladen met kleine gele bakstenen. Een scherpe datering zal stellig mogelijk zijn bij vordering van het werk. Het schip is lang plm. 20 meter en breed 4,65 meter. De opgraving wordt niet systematisch, volgens de meest toegepaste methode uitgevoerd, maar wel wordt aandacht aan de constructie besteed die wordt getekend voor zover ze van betekenis worden geacht. Het wrak is overigens vrij compleet en er is nog een dek aanwezig. Er is tot nu toe nog niet heel veel uitgekomen, mede omdat het uit het schip verwijderen van de tienduizenden bakstenen tijdrovend is. Eerst wanneer deze zijn verdwenen kan meer worden waargenomen omtrent de inventaris en huishouding van het schip. Er is reeds iets gevonden dat duidt op het feit dat de bouw van het vaartuig wellicht moet worden bepaald op de 19e eeuw. Er zal ongetwijfeld t.z.t. een meer exacte datering uitkomen". In jaargang 51, 2e kwartaal 1970 staat: "Op kavel OT21 werd het daar onderhanden zijnde wrak eveneens geheel afgewerkt. Een groot aantal vondsten is daarbij aan het licht gekomen, waaronder als meest spectaculaire een aanzienlijk aantal zilveren munten uit het 3e kwart van de 17e eeuw. Het zijn -voor zover is te zien- (nu nog slechts een klein aantal is schoongemaakt) vooral 28-stuiverstukken van Groningen, Friesland, Utrecht, Gelderland en van bepaalde steden. De meeste munten zijn voorzien van een klop: "Holl.", "Utr.", enz. Er is bij deze munten een tweetal heel mooie zilveren schoengespen gevonden. De muntvondst is daarom eigenaardig omdat het schip een beursje met zilveren beugel is gevonden met munten waarvan de jongste dateert uit 1828, veel later dus dan de omvangrijke muntvondst zou doen geloven. Ook het gevonden vaatwerk dateert de ondergang van het schip zeker niet vroeger dan 1830. Er is een goede collectie huishoudelijke materialen geborgen, evenals leerwerk enz.".
Het betrof een talkachtig schip met platte bodem, een gekromde voorsteven en een rechte achtersteven dat geladen was met ca. 100.000 gele bakstenen, die in 1970 door het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen bij de bouw van een boerderij uit Hindeloopen zijn gebruikt. Naast de in het bovenstaande verslag genoemde vondsten werden ook een vingerhoed en enige schoenen aangetroffen, waaronder een kinderschoen. Waarschijnlijk was er een gezin aan boord. De vondst van een ijzeren mik om de giek op te leggen wees op een bezaantuig. Ook bleek uit de restanten van de mastkoker dat het schip over een strijkbare mast beschikte. Het strijken van de mast en de breedte van het schip waren van belang voor het passeren van sluizen op de route door Holland. De smalste sluis was de Donkere Sluis in Gouda met een breedte van 16 voet en 16 duim, omgerekend 4,68 m. Bron: Waldus, De Zuiderzee als transportlandschap. De strijkbare mast en de breedte van 4,65 m zijn een aanwijzing dat de OT21 vanaf de Zuiderzee naar het achterland van de Hollandse steden voer.
In het schip werden 229 munten gevonden, 186 in textiel verpakte florijnen in de woonruimte in het achterschip aan stuurboord en een beurs met 41 munten tussen de spanten in het achterschip, naast de achtersteven. De vondst van meerdere munten op een kastplank in het achterschip wees volgens de onderzoekers op een plotselinge ondergang. Naast de munten werd ook een bakenloodje aangetroffen. Op het loodje stond het opschrift 'Suyderzeese Vuur+Bakens' en het jaartal 1829. Loodjes van de Suyderzeese Vuurbakens waren noodzakelijk bij het aandoen van alle havens van Holland en West-Friesland. De schepen moesten naar hun grootte/aantal lasten bakengeld betalen. De afmeting van het lood was bepalend of het een laadvermogen had van meer als 12 last (Groot lood, met een maat tussen de 25 en 40 mm) of minder als 12 last (Klein lood tussen de 22 en 26 mm). Een schip van boven de 12 last moest per jaar 32 stuivers betalen voor de in stand houding van de bebakening, een schip onder de 12 last betaalde de helft. Het bakenloodje dat in de OT21 gevonden is was een groot vuurlood (40 mm) dat geklopt was met SWB. Op veel loden van de Suyderzeese vuurbakens zijn op de keerzijde naderhand één of enkele letters ingestempeld of geklopt. Ervan uitgaande dat de kloppen de initialen van de schipper bevatten, zou dat betekenen dat de schipper van de OT 21 de initialen SWB droeg.
Bronnen: Muntvondsten in Scheepswrakken; Flevobericht nr. 77; Tjalkachtigen van de Zuiderzee: Schepen en lading, 1700-1900,; loodjes.nl.
Een (anonieme) bron meldde aan MaSS dat de tjalk OT21 op 14 oktober 1829 vergaan is met schipper Sijmen Wolters Bos en vrouw Egberta Zeilmaker en kind Hermina Bos, allen afkomstig uit Zwartsluis en een knecht.
Bovenstaande wordt bevestigd door een advertentie die Wicher Lubberts Zeilemaker, de vader van Egberta Zeilmaker, na het ongeval in de Opregte Haarlemsche Courant van 24 oktober 1829 plaatste. In deze advertentie staat: "Op den 14den October ll., verongelukte tusschen Harderwijk en Elburg, een met steen geladen VAARTUIG; de Schipper, Vrouw, Kind (zijnde een Meisje van 3/4 jaar) en Knecht, verloren daarbij hun leven. Voor de vinding en teregtbrenging van ieder dezer lijken, bij een der Besturen van gemelde Steden, of bij den Ondergetekenden, belooft men TIEN GULDENS, terwijl ieder verzocht wordt, deswege, aldaar alle mogelijke narigt te geven. - Het linnengoed gemerkt van den Schipper S.W., van de Vrouw E.L., van het Kind ongemerkt, en van den Knecht K.W.B". was ondertekend W.L. ZEILEMAKER, Zwartsluis, Provincie Overijssel. Bron: genealogieonline.nl onder afbeeldingen, met dank aan Alle Elbers. Schipper Sijmen Wolters Bos is op 18 februari 1798 in Nieuwesluis geboren en trouwde op 7 juni 1828 met de op 1 oktober 1806 in Zwartsluis geboren Egberta Wichers Zeilmaker. Op 23 december 1828 werd hun dochter Hermina in Zwartsluis geboren. Het lichaam van Egberta werd op 7 november 1829 uit zee aangebracht en begraven op het kerkhof in Zwartsluis. Bron: genealogieonline.nl Sijmen is op 14 november 1829 gevonden als verdronkeling aan het strand van de Zuiderzee bij de Kardoezen. Aangifte van zijn overlijden werd op 16 november in Kampen gedaan. Bron: openarchieven.nl. [De Kardoezen is een polder bij Kampen, nu gelegen ten noorden van de Roggebotsluis red.]