Larsen en de overige nooit gerealiseerde dorpen.

Larsen en de overige nooit gerealiseerde dorpen.

Plaats: Lelystad

Locatie:

Maker:

materiaal:

Jaar: 1956-1965


Beschrijving:

Het plan van Cornelis Lely voor de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee voorzag in een grote zuidoostelijke polder. Al in 1943 kreeg C.A.P. Takes, sociograaf in dienst van de Stichting voor Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders, opdracht voor een studie naar een optimaal nederzettingspatroon in Oostelijk Flevoland. Na de Tweede Wereldoorlog rees de vraag welke polder na de Noordoostpolder aangelegd moest worden: de westelijke (Markerwaard) of de zuidoostelijke polder (Flevopolders). In 1950 viel de keuze op de Flevopolders, maar uit kostenoverweging werd deze polder in twee fasen aangelegd. In eerste instantie wilde men nog een hiërarchisch nederzettingspatroon in Oostelijk Flevoland ontwikkelen, zoals dat in de Noordoostpolder bestond. In 1949 nam de Dienst der Zuiderzeewerken de stedenbouwkundige mevr. ir. Elisabeth Frederika (Elze) van den Ban in dienst. In dat jaar werd tevens de Planologische Adviescommissie Zuidelijke Polders ingesteld waarin ook prof. Cornelis van Eesteren en ir. L.S.P. Scheffer zitting hadden. Ten tijde van het eerste verkavelingsplan in 1951 waren 14 dorpen in de polder gepland. In de plannen werd rekening gehouden met een agrarische bevolking van 50.000 zielen. Maar in het plan van Van Eesteren en Scheffer uit 1954 zouden er naast Lelystad 10 dorpen worden gesticht met daarnaast nog Dronten als centrumplaats. Men ging uit van 34.000 bewoners. Aan de dorpen waren door historicie en aardrijkskundigen de namen Abbert, Biddinghuizen, Bremerberg, Burchtkamp, Hoophuizen, Larsen, Roggebot, Swifterbant, Zeewolde en Zelhorst gegeven. De grootste afstand tussen twee woonkernen zou ongeveer 5 km bedragen. Het plan uit 1954 werd in 1956 door de minister van Verkeer en Waterstaat, Jacob Algera, goedgekeurd.

In 1957 viel Oostelijk Flevoland droog. Van de aanleg van de 10 dorpen zag men al snel af toen bleek dat het aantal inwoners van het nieuwe land sterk achter zou blijven bij de eerste voorspellingen. Bij de ontginning van de Noordoostpolder had men destijds in een cirkel rond Emmeloord 10 dorpen gebouwd. Sindsdien was er echter veel veranderd. De landbouw vroeg door de mechanisatie steeds minder mensen, afstanden speelden door de toegenomen particuliere mobiliteit minder dan vroeger een rol en het levensniveau van de plattelandsbevolking was zodanig gestegen dat de kleine gemeenschappen niet meer aan haar materiële en culturele behoeften konden voldoen. Om al deze redenen besloot men in Oostelijk Flevoland het aantal dorpen te beperken. Het dorp Larsen was in het plan uit 1954 geprojecteerd tussen Lelystad en Swifterbant en Zeewolde en Biddinghuizen tussen Lelystad en Dronten. Daar er in het gebied van Larsen plannen waren voor de aanleg van visvijvers werd het dorp op die plek geschrapt. Het plaatsje Roggebot was gepland bij de Roggebotsluis, maar bij de drooglegging werd duidelijk dat de bodemgesteldheid daar nogal tegenviel en de grond gebruikt zou worden voor de bosbouw. De weinig arbeidsintensieve bosbouw maakte een dorp op die plek overbodig. Om dezelfde reden werd het dorp Abbert, gesitueerd ten noorden van Elburg, nooit gebouwd. Bremerberg was op de kaart getekend op de plek van het huidige dorp Biddinghuizen. Zelhorst, Hoophuizen en Burgkamp, gepland tussen Lelystad en Harderwijk, verdwenen ook van de kaart.

In het herverkavelingsplan van 1958 stonden naast Lelystad en Dronten nog 6 dorpen. Het plan uit 1959 telden nog maar 4 dorpen. Men veronderstelde toen dat de polder nog maar een agrarische bevolking van 18.700 zielen zou tellen. Schaalvergroting was dus noodzakelijk met als gevolg dat de dorpen Swifterbant, Zeewolde, Larsen (op de plek van Hoophuizen) en Biddinghuizen (het vroegere Bremerberg) gebouwd zouden worden voor 3000 à 4000 inwoners. In 1963 werd besloten dat Zeewolde ook niet gerealiseerd zou worden omdat het dorp te dicht bij Lelystad gepland was en 'overschaduwd' zou worden als Lelystad zou uitgroeien tot een stad van bijvoorbeeld 100.000 inwoners. Het dorp Larsen werd in het plan uit 1958 gesitueerd tussen Lelystad en Harderwijk, ten zuidwesten van Dronten. De stedenbouwkundige Niek de Boer (1924-2016) kreeg de prestigieuze opdracht om het ontwerp voor het dorp te maken. Op 27 juni 1962 werd het schetsontwerp voor Larsen in een vergadering van de Panologische Commissie besproken. De Boer had een duidelijk beeld van hoe het dorp moest worden. In het dorpsplan stond het volgende beschreven: "In het dorp waar de agrarische bevolking om en nabij 2300 zielen zal tellen dient ruimte te worden gereserveerd voor: 3 schoolgebouwen, 2 kleuterschooltjes, 3 kerken, wellicht nog een enkele kleine erbij, een dorpshuis of verenigingsgebouwtjes bij de kerken, gymnastieklokaal, diepvrieskluis, postagentschap, bijkantoor boerenleenbank(en), brandweerhuisje, telefoongebouwtje, transformatorhuisje en 10-15 winkels". Het dorp had een toaal andere opzet dan tot dan voor de dorpen in de polders werd toegepast. Niek de Boer maakte halverwege de jaren zestig van de twintigste eeuw naam met zijn ontwerpen voor woonwijken met woonerven in Emmen. Hij vond dat het doorgaande autoverkeer veel te prominent in de woonwijken aanwezig was. Zijn oplossing was het woonerf. Ook Larsen was opgezet als 'woonerfwijk' ofwel 'bloemkoolwijk'. Het dorp met ca. 640 woningen, zou uit 2 ringen gaan bestaan met in het midden de groene ruimte met scholen. In de eerste ring waren de woningen geprojecteerd en in de tweede ring de kerken. Het dorp werd omsloten door een ringweg. Alleen vanaf deze ringweg kon men op verschillende punten, met doodlopende wegen, het dorp binnengaan, waardoor men een volledige scheiding tussen langzaamverkeer enerzijds en autoverkeer anderzijds kreeg. De voorbereidingen voor Larsen werden getroffen, waaronder drainage werkzaamheden en het opspuiten van zand. Kort voor de bouw in 1965 zou beginnen werd ook Larsen van de kaart geveegd omdat het dorp niet levensvatbaar zou zijn. 

In het Nederlands dagblad stond op 24 februari 1971 onder de kop "Larsen komt schuchter terug" het volgende: "Het dorp Larsen is langzamerhand bezig terug te komen op de kaart van Oostelijk Flevoland. De Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders heeft een plan ontwikkeld, waarin wordt voorzien in verblijfsrecreatie voor ongeveer 4.000 mensen op een terrein van circa 400 hectare. De Rijksdienst is echter niet van plan het ontstaan van een echte woonkern Larsen te stimuleren. De plannen tot het stichten van het dorp Larsen in Oostelijk Flevoland hebben enkele jaren in de ijskast gelegen. In tegenstelling tot enkele andere verdwenen dorpen in Oostelijk Flevoland is van Larsen nooit een officiële 'overlijdensakte' opgemaakt".

Verklaring dorpsnamen: 

Lelystad is genoemd naar de civiel ingenieur en staatsman dr. ir. C. Lely (1854-1929), wiens plan tot droogmaking van de Zuiderzee in grote lijnen is uitgevoerd. Oorspronkelijk zou de stad Flevostad genoemd worden. Maar in 1952 is voor het eerst sprake van Lelystad. Als eerbetoon aan ir. Lely is toen besloten de stad naar hem te vernoemen.

De naam Dronten is afgeleid van de polder en verdwenen buurtschap Dronthen, ten westen van Kampen.

In het 'Oorkondenboek van Gelre en Zutphen' was al in 793 sprake van Bidningahusum en van Svifeterbant, gelegen in een bos genaamd Seaewald. Ook de naam Larserheim, waar Larsen van is afgeleid, komt in hetzelfde oorkondenboek voor. 

Hoophuizen was vernoemd naar een voormalig buurtschap bij Nunspeet. In oude documenten in het stadsarchief van Harderwijk werd op 20 mei 1437 al melding gemaakt van de buurtschap: "Arnolt Hertog van Gelre maakt geltgiftige horige erven en landerijen te Hoophuisen". In de 19e eeuw werd de buurtschap diverse keren door een stormvloed overspoeld en aan het eind van de 19e eeuw was van de buurtschap nog één boerderij over, die door het opstuwende water in 1916 zodanig aangetast was, dat die moest worden afgebroken. 

De naam Zelhorst of Selhorst stamt uit de middeleeuwen en is een naam voor een boerderij, herberg of burcht met omheining. De bekendste Zelhorst in Nederland is die waar Harderwijk uit ontstaan is. Deze laatste heeft na 1100 eerst nog de functie van herberg en groeit dan uit tot een economisch centrum onder de naam Harderwijk.

De naam Bremerberg vindt zijn oorsprong op de Veluwe. In 1843 werd door het Domeinbestuur grond afgestaan aan de vele gemeenten op de Veluwe, waaronder Putten. De gemeente Putten besloot hierop een deel van de grond bij een openbare veiling te koop aan te bieden. Op 20 januari 1848 werd Mr. J.H. Schrober eigenaar van ruim 82 ha heidegronden in 4 percelen. Het perceel no. 5 werd in de koopakte als volgt omschreven: "gelegen op den Breemschenberg groot plm. 12 bunders, 64 roeden, 60 ellen, kadaster nos. 166 en 167 van sectie D; de in dit perceel aanwezige weg bij bosch de Goudkuil moet speciaal ter breedte van 6 ellen blijven". In 1893 werd in de Breemschenberg, ook wel Bremer- of Princenberg genoemd, door de oudheidkundige Ver. Flehite een bronzen zwaard gevonden. In de bronstijd woonden op de Veluwe boeren. Zij begroeven hun doden op grafheuvels. Het gevonden zwaard, dat stamt uit de periode 1600-1400 v. Chr., was als grafgift meegegeven aan een overledenen. De Breemschenberg was in de bronstijd dus gebruikt als grafheuvel. Bron: Westerheem, jaargang XII, no. 2, april 1963, pag. 48-50.

De Roggebot en de Abbert waren zandbanken in de Zuiderzee waar veel schepen op zijn vergaan. Sinds de inpoldering maken deze zandbanken onderdeel uit van Oostelijk Flevoland. 

Bronnen: Krantenarchief Delpher; Dienst der Zuiderzeewerken nota 254 1958; Erfgoedvereniging Heemschut, Knardijk; Omroep Flevoland