Knardijk

Knardijk
Knardijk Knardijk Knardijk Knardijk Knardijk Knardijk Knardijk

Plaats: Oostelijk Flevoland

Locatie: Knardijk

Maker: R.IJ.P

materiaal: diverse materialen

Jaar: 1951 - 1954


Beschrijving:

Voor de drooglegging van Oostelijk Flevoland, was door de oorlog, geen geld. Totdat de Verenigde Staten in 1950 via het Marshall-Plan geld ter beschikking stelde. In het voorjaar van 1951 startte de Dienst der Zuiderzeewerken vanuit Harderwijk met de aanleg van de Knardijk. De Knardijk ontleende zijn naam aan de Knar,  een Pleistocene zandrug waar bewoningssporen uit de Midden Steentijd (Mesoliticum) zijn gevonden. In de tijd van de Zuiderzee kenden de vissers deze zandrug als visrijke plek en meden de schippers van vrachtschepen de ondiepte. 

De dijkwerkzaamheden voor Oostelijk Flevoland waren aanzienlijk omvangrijker dan die van de Wieringermeerpolder en de Noordoostpolder, daar deze polder geheel door water omringd werd. De Knardijk beslaat ruim 23 km. van de totaal 90 km. van de dijk die daar aangelegd moest worden. Voordat een dijklichaam gemaakt werd moest eerst de slappe ondergrond weggebaggerd worden. Voor grondverbetering aan de Knardijk is 2.200.000 kubieke meter grond gebaggerd. Toen de grond verbeterd was werden er twee kleidammen op gestort. Toen deze boven water uitkwamen, werd er een zandlichaam op gespoten. Onder water werd het dijklichaam beschermd met kraagstukken, ook wel zinkstukken genaamd. De kraagstukken zijn van rijsthout gevlochten. Eerst dreven ze op het water en zonken toen er basaltblokken op werden gestort. Voor de Knardijk werden 415.000 kubieke meter kraagstukken en ander rijsthoutbekleding gebruikt. Voorts gebruikte men 310.000 kubieke meter steen-, beton en asfaltbekleding.

Tot 1953 verliepen de werkzaamheden vlot. Toen kwam de stormramp van februari, die vooral Zeeland teisterde. Een deel van het materiaal en personeel, dat voor Oostelijk Flevoland was ingezet, was nodig voor het herstel van de schade in Zeeland. De werkzaamheden aan de dijk werden daardoor vertraagd. In 1954 werd de dijkbouw in Oostelijk Flevoland voortgezet. Het tempo werd opgevoerd, er moest zoveel mogelijk achterstand ingehaald worden. Op 28 oktober van datzelfde jaar werd de Knardijk gesloten en kon men de vaste wal bereiken. Het sluitgat van de dijk bevindt zich waar perceel S' eindigt en perceel P begint. Het is de plek waar tegenwoordig de spoorlijn de Knardijk kruist. Na de sluiting kon begonnen worden met de aanleg van de weg over de kruin van de dijk. De 6,5 m brede weg op de Knardijk werd op 1 juli 1955 officieel opengesteld door de toenmalig minister van Verkeer en Waterstaat, J. Algera. De aanleg van de Knardijk heeft ƒ 30.000.000.,- gekost.

De Knardijk vormde tien jaar lang de bescherming van Oostelijk Flevoland tegen het IJsselmeer. Maar sinds het droogmaken van Zuidelijk Flevoland heeft de Knardijk geen directe waterkerende functie meer. De dijk is nu een slaperdijk. Mocht in één van beide polders ooit het water toeslaan, dan beschermt de Knardijk de andere polder tegen de gevolgen. Na de drooglegging van Zuidelijk Flevoland in 1968, is de zes meter hoge dijk onderbroken door vaarten, de Lage- en Hoge vaart. Op deze punten zijn in 1969 twee coupures aangebracht, de Lage Knarsluis in de Lage Vaart en de Hoge Knarsluis in de Hoge Vaart. Beide keersluizen zijn opgebouwd uit twee schuiven die voorzien zijn van grote contragewichten, die vrijwel altijd open staan. In geval van een dijkdoorbraak worden de beide sluizen gesloten en kunnen Oostelijk- en Zuidelijk Flevoland apart bemalen worden.

Bij de kruising van de Vogelweg met de Knardijk ligt Knarhaven, de gerenoveerde dijk van de voormalige werkhaven uit de tijd van de drooglegging. De werkhaven diende als aanlegplaats voor schepen met stenen en rijsthout waarvan zinkstukken gefabriceerd werden die gebruikt zijn bij de aanleg van de Knardijk. Aanvankelijk werd de werkhaven van Harderwijk als steunpunt gebruikt bij de aanleg van perceel S. Maar hoe verder de dijk vorderde, hoe bezwaarlijk het verslepen van de kraagstukken vanuit Harderwijk werd. De aannemer heeft tenslotte de rekensom gemaakt bij welke afstand het rendabel zou zijn om voor eigen rekening een provisorisch steunpunt langs de dijk in te richten. Mede gelet op de aanleg van Perceel P heeft de aannemer eind 1952 begin 1953 een verbreding aan de kop van de dijk gemaakt waarbij de keileemdam aan de polderzijde van de dijk werd doorgezet en aan de IJsselmeerzijde een onderbreking werd gemaakt. Hierdoor werd een haventje gevormd. Nadat het laatste gat in de dijk gesloten was kreeg de aannemer opdracht om de tijdelijke verbreding op te ruimen en de keileemdam aan de polderzijde op de juiste plaats te brengen. Het haventje werd volgespoten met zand. Het zand is later weer verwijderd en gebruikt bij de aanleg van wegen. Als oorspronkelijk inrichtingsobject drukt de werkhaven een bijzondere cultuurhistorische waarde uit van het watersysteem van Oostelijk Flevoland. De werkhaven heeft een sterk pionierskarakter door de essentiële rol bij de aanleg van de dijken rondom de polder. Daarnaast heeft de werkhaven ensemblewaarde omdat het een onderdeel vormt van de eerste aanleg van Oostelijk Flevoland. De droogliggende haven benadrukt het feit dat dit gebied vroeger water was.

Bekijk op Omroep Flevoland: Flevoland is één groot landschapskunstwerk

Laatste Update woensdag, 24 maart 2021