Vickers Wellington Mk.X HZ280*

Vickers Wellington Mk.X HZ280*

Plaats: Urk

Locatie: IJsselmeer

Maker: Vickers (Squires Gate)

materiaal: diversen materialen

Jaar: 1942


Beschrijving:

In de nacht van 13-14 mei 1943 werd een vloot van 426 bommenwerpers uitgezonden voor een aanval op de Duitse industriestad Bochum in het Ruhrgebied. De toestellen naderde het doel vanuit het zuiden en ondervond zware tegenstand van afweergeschut (Flak) met zoeklichten op het traject tussen Keulen en Düsseldorf. Op de weg terug werden de vliegtuigen aangevallen door Duitse nachtjagers. Die nacht gingen 24 bommenwerpers verloren en werden er 74 beschadigd. 

Eén van de thuisvliegers die van Bochum terugkwamen en boven Nederland werden onderschept, was de Vickers Wellington Mk.X met serienummer HZ280 en rompcode AS-Q van het No 166 Squadron RAF.  Het toestel behoorde tot een serie van 34 Wellington Mk.X (Serial Range HZ251 - HZ284) die tussen december 1942 en augustus 1943 geleverd waren door Vickers (Squires Gate). De HZ280 was op 14 mei om 00.01 uur opgestegen van RAF Kirmington in North Lincolnshire. Aan boord waren de 29-jarige piloot P/O Wiliam Wahl, de 28-jarige navigator Sgt. Stuart Arthur Hamilton Davis, de 22-jarige bommenrichter P/O Harry Wilson Newby, de 22-jarige radiotelegrafist/boordschutter F/Sgt. William Norman Partridge en staartschutter Sgt. William Arnold Wright. Boven Duitsland werd het toestel geraakt door het afweergeschut en vervolgens boven Nederland beschoten door Unteroffizier Kurt Scherer van 10./NJG 1, vliegend in een Messerschmitt Bf 110. De nachtjager was opgestegen van vliegveld Leeuwarden. Piloot William Wahl slaagde er min of meer in om een noodlanding op het IJsselmeer te maken.

Op Urk waren verschillende mensen getuigen van het onfortuinlijke einde van de HZ280, getuige de rapportage van Opperwachtmeester Harmen Visser. Hij schreef het volgende: 

"Aan den heer Groeps-Commandant der Marreschausse Te VOLLENHOVE. 14 mei 1943.
Bij deze heb ik, Harmen Visser, Opperwachtmeester der Marechaussee (Post-Commandant) en behoorende tot opgemelde Groep, de eer U Edele het navolgende te berichten: Op vrijdag veertien mei 1943 werd mij medegedeeld dat er een vliegtuig brandend was neergestort in het IJsselmeer. Dit zou gezien zijn door den schipper van het visschersvaartuig de UK14, hetwelk dien nacht op het IJsselmeer gevischt had. Daar er door de leden van de plaatselijke Luchtwacht eveneens waargenomen was, dat er dien nacht een vliegtuig naar beneden was gevallen, stelde ik onmiddelijk een onderzoek in. In verband hiermede, hoorde ik den schipper van het vaartuig namelijk: Pieter van Urk, oud 39 jaar, van beroep visscher en wonende Wijk VII no. 65. Hij verklaarde als volgt: 'Op vrijdag 14 mei 1943 was ik met het visschersvaartuig, gemerkt UK 14 op het IJsselmeer. Ik bevond mij des morgens omstreek 3.15 uur op ongeveer 7 à 8 kilometer Noord Noordwest van Urk. Omstreeks dien tijd zag ik dat er een vliegtuig brandend in de lucht vloog. Dit branden duurde ongeveer 5 minuten en daarna viel het vliegtuig brandend omlaag in het IJsselmeer. Het was erg donker dien nacht, maar ik kon aan de rook merken dat het vliegtuig dichtbij ons was neergestort. De rook kwam namelijk over ons vaartuig heen.
Terwijl het vliegtuig in het water lag heeft het nog ongeveer 10 minuten gebrand. Daarop was er niets meer te zien of te hooren. Om reden ik dacht dat er nog menschen of iets dergelijks in de nabijheid van het vliegtuig zouden liggen, wachtte ik, dat het licht werd. Daarop ging ik met mijn vaartuig naar de plaats en zag ik, dat er een gedeelte van een vleugel boven water uitstak. Tevens bemerkte ik, dat daar ter plaatse, het heele vliegtuig lag en wel onder water. Meer was daar niet te zien. Vervolgens heb ik nog in de buurt rond gekeken om te zien of daar misschien ook nog iets lag. Daar ik echter niets bemerkte ben ik doorgevaren'. 
Door mij werd het Hoofd van de plaatselijke luchtbescherming onmiddellijk met het één en ander in kennis gesteld. Tevens stelde ik dan Heer Burgemeester met het voorgevallene op de hoogte. In opdracht van den Burgemeester werden de vereischte meldingen verricht en de Duitsche Luchtwacht met het één en ander op de hoogte gesteld.
De Post-commandant. (get) H. Visser". Bron: Urker Volksleven 20e jaargang no. 6 en 36e jaargang nr 1.

F/Sgt W. N. Partridge en P/O W. Wahl overleefden de noodlanding niet. Sgt. Partridge spoelde op 27 mei aan bij Stavoren en werd begraven op het erehof van de algemene begraafplaats Rij 1, Graf 30. Het lichaam van P/O W. Wahl werd op 2 juni ten noord-noordwesten van Hindeloopen uit het IJsselmeer geborgen en via Urk overgebracht naar Amsterdam. Daar werd hij op 8 juni begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats Vak: 69. Rij: C. Coll. Graf: 14

Sgt. S.A.H. Davis, P/O H.W. Newby en Sgt. J.A. Wright overleefden de crash. Wright was ernstig gewond geraakt aan zijn gezicht, borst en knieën en werd overgebracht naar het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. In 1944 is hij naar Engeland gerepatrieerd. Davis werd levend uit het IJsselmeer gehaald en krijgsgevangen genomen. Newby liep bij de noodlanding een gespleten schouder op. Hij werd gered en door het verzet verder geholpen. In de buurt van Leeuwarden werd hij alsnog gevangen genomen. 

Sgt. Stuart Arthur Hamilton Davis verbleef van 19 tot 26 mei 1943 in ondervragingskamp Dulag Luft Oberursel bij Frankfurt. Daarna werd hij op transport gezet. Van 1 juni 1943 tot 5 november 1943 heeft Davis gevangen gezeten in Stalag Luft 1 in Barth, Noord-Duitsland. Vanuit het overvolle kamp werden Britse en Canadese onderofficieren overgeplaatst naar Stalag Luft 6. Davis kwam op 10 november 1943 in het kamp bij Heydekrug, Oost Pruisen aan. Toen het Russische leger vanuit het noorden en oosten oprukte werden de gevangenen overgeplaatst naar Stalag Luft 4. Davis verliet Stalag Luft 6 op 15 juli 1944 en kwam op 19 juli aan in Gross Tychow. Om de oprukkende Sovjetlegers voor te blijven werden 8000 krijgsgevangenen uit Stalag Luft 4 op 6 februari 1945 gedwongen om naar het westen te marcheren. Veel krijgsgevangenen overleden onderweg. Vanaf Ebstorf werden de overlevenden in overvolle veewagons naar Stalag 357 in Fallingbostel getransporteerd, waar ze eind maart aankwamen. Op 16 april 1945 werd het kamp door Britse troepen bevrijd. Davis verliet Stalag 357 op 21 april.

P/O Harry Wilson Newby werd van 15 tot 25 mei in Dulag Luft ondervraagd en kwam begin juni aan in Stalag Luft III, een Duits gevangenkamp voor geallieerd luchtmachtpersoneel bij Sagan in de Duitse provincie Neder-Silezië, 160 km ten zuidoosten van Berlijn. Vlak voor de Russische troepen naderden werden de krijgsgevangenen geëvacueerd. Op de middag van 1 februari 1945 kregen de mannen van het noordelijke kamp ​het bevel zich voor te bereiden om die nacht verder te marcheren. In de middag van 2 februari werden de gevangenen op het treinstation van Spremberg in veewagons geladen en begon de trein aan een gevaarlijke reis door het hart van het door oorlog verscheurde Duitsland. Op 5 februari bereikten ze om 5 uur 's middags hun eindbestemming Tarmstedt. Daar werd P/O Newby op 10 april 1945 bevrijd. 

In tegenstelling tot wat er in de rapportage van opperwachtmeester Visser staat heeft schipper Pieter van Urk, volgens de overlevering, één van de vliegers uit het water gehaald en in het geheim naar de haven van Urk gebracht. Vandaar is hij met behulp van anderen verder geholpen. 

 

Ook de beurtschipper Jan Kramer, die met zijn vrouw Marie en twee zonen op Urk woonde, heeft een vliegenier uit het IJsselmeer gered. In Urker Volksleven 10e jaargang nr 56 staat het volgende: "Eenmaal had een verschrikkelijk luchtgevecht boven Urk plaatsgevonden. Everts gedachten vlogen terug naar die verschrikkelijke nacht … Evrert [sic] kon de slaap niet vatten. Hij lag maar te woelen en te draaien. Dat was ook niet moeilijk. Boven in de lucht waren de vliegtuigen op elkaar aan het schieten. Hij keek door het raam. Evert bad voor zichzelf dat de vrede toch mocht komen. Maar voorlopig vond dit eindeloze gevecht plaats. Plots stortte een vliegtuig neer. Evert vloog: 'Vader, vader, er is een vliegtuig neergestort in het IJsselmeer.' In het hoge huis aan de haven had Evert duidelijk gezien dat het een Engels vliegtuig was. 'In de nood moeten wij elkaar helpen', zei de beurtschipper. Ze maakten toen ook Dirk wakker. Ze waren de deur al uit toen moeder hen nog nariep: 'Wees voorzichtig!'
Ze waren al gauw bij het schip en zetten koers in de richting die Evert beduidde. Spoedig zagen ze het vliegtuig. De beurtschipper stuurde hun boot langs het vliegtuig. Kramer stapte zelf over. Er waren drie bemanningsleden. Twee waren er al dood. Er leefde er nog één. Snel werd de Engelsman overgebracht want het vliegtuig begon al aardig te zinken. Ze wikkelde hem in een deken en legde hem in het vooronder. Dirk stookte de kachel flink op, terwijl Kramer de koers weer naar de Urker haven aannam. In de haven gekomen, legden ze het schip snel vast. 'Bukken, twee Duitse wachten.' Snel doken ze de kajuit in. 'Ich hörte etwas!' 'Ach nein', antwoordde de andere wacht. Dat liep goed af. Vlug brachten ze de Engelsman naar huis. Daar aangekomen, legden ze hem op de bank en verzorgde Marie zijn arm. Het was wel ernstig maar Marie wist hoe ze hem moest verbinden. 
De Engelsman was al aardig opgeknapt. Kramer had geïnformeerd bij verzetswerken of hij naar Engeland gestuurd zou kunnen worden. Dat kon en over enkele dagen zou hij naar Engeland vertrekken. Hij nam toen afscheid. 'Tank you very much', zei hij. Hij was blij dat hij weer naar Engeland kon. De reis was niet zonder gevaar, maar hij had goede hoop". 
 
Of het bovenstaande verhaal een connectie heeft met de noodlanding van de Vickers Wellington MkX. HZ280 kon niet worden vastgesteld.