Vuurtoren

Vuurtoren
Vuurtoren Vuurtoren Vuurtoren Vuurtoren Vuurtoren

Plaats: Urk

Locatie: Wijk 3-80

Maker: Leendert Valk

materiaal: baksteen

Jaar: 1844


Beschrijving:

Op de meest westelijke- en hoogste punt van het voormalig eiland Urk, een erfenis uit de ijstijd, bevindt zich de vuurtoren die dateert uit 1844. Maar al vanaf 1617 kon de koopvaarder zijn koers van en naar Amsterdam bepalen aan het Urker vuur. In 1615 hadden de Staten van Holland een commissie voor het loodwezen ingesteld, de 'Commissie tot de Pilotage benoorden de Maaze' genaamd, een samenwerkingsverband van Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik voor de kustverlichting en het beloodsen voor de zeegaten van de Zuiderzee. Amsterdam werd daarin vertegenwoordigd door Gerrit Jacob Witsen, die tussen 1585 en 1625 herhaaldelijk schepen en burgemeester was. De drukke vaart over de Zuiderzee deed de Staten van Holland in 1617 besluiten om, met goedkeuring van de heer van Urk, Johan van de Werve, een vuurbaak te bouwen. Gedurende de zomer werd het werk uitgevoerd en op de eerste september werd het vuur op Urk voor het eerst ontstoken. Naast de vuurbaak, een vierkante stenen toren met plat dak en ijzeren korf waarin een open kolenvuur brandde, verrees ook een woning voor de 'vuurstoker'. De vuurstoker of bakenstoker zorgde ervoor dat het vuur 's nachts brandend bleef. In de vuurbaak werd een stichtingssteen geplaatst met de inscriptie: "Door last van Ed. Mo. Heeren Staten / heeft den Burgemeester Gerrit Jacob Witsen van Amsterdam / dit gebouw doen maken Anno 1617. / Op den eersten September de eerste vuring gedaan". Het onderhoud van de vuurbaak kwam voor rekening van de Commissie der Pilotage. De schepen die Urk passeerden moesten bijdragen in de kosten van het vuur. Het tarief van het vuurgeld werd bepaald op een oort, een vierde deel van een stuiver. Voor 1816 werd in de Republiek der Verenigde Nederlanden gerekend met guldens, stuivers en penningen. Een gulden bestond uit 20 stuivers en een stuiver uit 16 penningen.

Amsterdam had belangstelling voor Urk vanwege zijn ligging aan de drukke scheepvaartroute over de toenmalige Zuiderzee. Met de Urker vuurboet verstevigde de stad haar positie. Op 4 oktober 1660 kocht Amsterdam voor 14.000 gulden het leenrecht over de heerlijkheid Urk en Emmeloord omdat het behoud van de vuurbaak van groot belang was. Door het geweld van de zee kavelde het eiland af. Uit de verslagen van de jaarlijkse inspectiereizen blijkt dat de vuurbaak in 1649 nog 112 voeten (ca. 32 m) van zee stond, in november 1661 was dat nog maar 30 voeten (8,5 m). In 1662 werd de baak naar zijn huidige plek op de 'bult' verplaatst. Verder landinwaarts kon niet omdat de vuurbaak dan een gevaar zou vormen voor de met riet bedekte huizen. Een commissie die de verplaatsing naar een hogere plaats onderzocht had, declareerde op 28 oktober van dat jaar 225 gulden en 11 stuivers voor "Spijs en dranck, vacatie, reyskosten en bodeloon". De verplaatsing zelf, waarvoor een 'opzichter der stadsmodder- en straatwerken' met 20 man naar Urk reisde, kwam op 1817 gulden en 6 stuivers. In 1674 werd een balans opgemaakt. De verdediging tegen de zee had toen 18.836 guldens, 9 stuivers en 8 penningen gekost. Dat bedrag kon Amsterdam declareren aan de Commissie der Pilotage. In 1710 werd in de stad Amsterdam een grote loterij gehouden om op Urk een goede zeewering aan te leggen. De oeververdediging werd met keien uit de keileemgronden versterkt. Het vele onderhoud aan de zeeweringen was echter zo kostbaar dat Amsterdam het eiland op 4 april 1792 terug gaf aan de leenheren van de Staten van Holland. Bron: Het Parool 30 september 1989

De generale opziener van 's Lands Zeeweringen in het Noorder gedeelte van het Departement Holland, Jan Peereboom Bz. (1767-1826), adviseerde de Commissie der Pilotage in 1805 om ter bescherming van de vuurbaak een steenglooiing aan te leggen om landafslag tegen te gaan. In het begin van de 19e eeuw werd de Commissie der Pilotage opgeheven en ressorteerde het vuurbaken onder het Departement van Marine. Omdat de kosten van een kolenvuur hoog waren besloot de Minister van Marine op 26 oktober 1808 dat op 6 november 1809 een olielamp op het eiland Urk geplaatst zou worden. In 1834 is het zeevuur, zoals het toen in de Staatscourant genoemd werd, gerepareerd en verhoogd. In de loop der eeuwen heeft de toren verschillende gedaantes gehad. 

In de Nederlansche Staatscourant van 4-10-1836 werd bekend gemaakt: "Aanbesteding van het maken der noodige veranderingen aan den lichttoren op het eiland Urk tot het daar opstellen van een klein draajjend licht van de 4de grootte, en het bouwen van eene kleine wachterswoning, benevens het vierjarig onderhoud van die gebouwen". In 1837 werd een vierkante houten baak gebouwd met een catadioptriek licht dat op petroleum brandde. Het licht, dat 21,30 el (ca. 14,5 m) boven de waterspiegel bij hoogwater stond, werd om de 2,5 minuut afgewisseld door een sterke korte schittering die zowel voorafgaand al gevolgd werd door een korte verduistering. Het licht werd voor het eerst ontstoken op 15 november 1837. De houten baak werd in 1844 vervangen door een 13,90 m hoge, ronde, van baksteen opgetrokken vuurtoren, die van onder een grotere diameter had dan van boven. Op een gedenksteen aan de landzijde van de toren staat te lezen: "Tijdens de regering van Willem II, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg enz., enz., enz., is deze toren op last van den Vice-Admiraal Julius Constantijn Rijk, Minister van Marine enz., enz., bij hernieuwing opgebouwd onder het bestuur van Jonkheer Anthonie Cornelis Twent, kommandeur der orde der Nederlandschen Leeuw, Inspecteur-Generaal over het Loodswezen enz., zijnde de eerste steen gelegd den 18 mei 1844. Duplicaat 1972".

Op 13 augustus 1875 maakte de minister van Marine, Willem Frederik van Erp Taalman Kip (1824-1905), bekend dat het licht vervangen zou worden door een roterend optiek van de vierde grootte. De optiek van een vuurtoren bestaat uit lenzen en prisma's die gebruikt worden om het licht te bundelen. Een optiek van de vierde grootte heeft een doorsnede van 60 cm, de brandpuntafstand, de afstand tussen het midden van de lichtbron en de lens, is dus 30 cm. Bron: nederlandsevuurtorens.nl. In 1876 werd de toren voorzien van het draailicht en een olielamp met een holle, cilindervormige pit waarvan het licht versterkt werd met een Fresnellens, een getrapte lens van afzonderlijke vlakjes. Hierdoor werd in tegenstelling tot één dikke lens het licht nog verder geconcentreerd en kon een aanzienlijke hoeveel materiaal bespaard worden. Om het licht een draaiend effect te geven was in de toren een valgewicht geplaatst. De toenmalige lichtwachter moest om de twee uur naar boven om het gewicht op te hijsen. Het langzaam wegzakkende gewicht zorgde ervoor dat de lenzen gingen draaien rondom de stilstaande lamp. In 1906 werd het draaimechanisme van een electromotor voorzien. Alhoewel het licht geautomatiseerd is, hangt het gewicht nog steeds in het midden van de toren. 

Sinds op het eiland Urk in 1885 een nieuwe Gereformeerde kerk was gebouwd, klaagden vissers en schippers dat het draailicht van de vuurtoren in het oostelijk deel van de Zuiderzee in een groot gebied door het vrij hoge kerkgebouw onzichtbaar was. Deze klacht werd meermalen geuit op de vergaderingen van de 'Vereeniging van de Nederlandsche Visscherij', die het probleem onder de aandacht van de regering bracht. In oktober 1899 werd medegedeeld dat het departement van Marine de nodige metingen had verricht en dat de vuurtoren met 5 m verhoogd zouden worden. Nadat in maart 1890 een hulp vuurtoren in dienst genomen was werd een nieuwe verdieping op de toren geplaatst. Hiervoor werden de muren 4 m in steen opgemetseld. De vierde verdieping is te bereiken via een stalen trap. Het lichthuis boven de omloop werd met 1 m verhoogd. Het oorspronkelijke plan om op de toren een verdieping van ijzer te plaatsen had men om technische redenen laten varen. Het gietijzeren lichthuis met koperen koepel en balustrade dateert uit 1901. In 1920 is de toren van een elektrisch licht van 250 Watt voorzien, 20 maal sterker dan het oude licht. Door het variëren van de tijdspanne tussen licht en donker van het vuurtorenlicht kregen de vuurtorens een eigen 'karakter', waardoor ze gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn. De toren op Urk heeft lichtkarakter Fl 5s. Flash (Fl) geeft aan dat het een schitterlicht is. Bij dit lichttype draait de optiek rond de lichtbron. De lichtsterkte is 40000 candela (cd). Eén cd komt overeen met de lichtsterkte van een gewone kaars, candela in het Latijn. Bij helder weer is de lichtflits op 18 zeemijl, oftewel 33,33 km te zien. Dat komt omdat het licht in prisma's gebundeld en via lenzen uitgestraald wordt. ’s Nachts is elke vijf seconde een schittering van 0,2 seconde zichtbaar. De toren op Urk heeft als enige langs het IJssel- en Markermeer een draailicht dat dan ook nog linksom draait, dus tegen de wijzers van de klok in. Volgens Douwe F. Gnodde geeft de draairichting aan waar de monding van de haven ligt. Urk heeft als enige een haven die rechts van de vuurtoren ligt.

De 18,50 m hoge vuurtoren is sinds 1981 een rijksmonument. Het gebouw is van algemeen belang wegens de oudheidkundige waarden en uit oogpunt van de geschiedenis der technische ontwikkelingen. In september 1985 werd de vuurtoren voor het laatst 24 uur per dag bemand. Sinds oktober van dat jaar is de bediening van de toren en de bijbehorende misthoorn geautomatiseerd. De vuurtoren is in de zomermaanden tegen betaling te beklimmen.

Klik voor meer informatie hier

architect

De vuurtorenontwerper Jacob Valk (1757 - 1846) was een geboren en getogen Amsterdammer. Waarschijnlijk volgde Valk zijn opleiding aan een Rijkswerf of een Militaire Academie. Deze opleidingen vonden technische vraagstukken belangrijker dan artistieke aspecten. Jacob Valk werd bij Koninklijk Besluit van 11 juni 1816 benoemd tot inspecteur der maritieme gebouwen bij het Loodswezen in Amsterdam. Daarvoor werkte hij als oppermagazijnmeester van scheepsbouw bij de Rijkswerf te Rotterdam. Valk ontwierp zijn torens in steen, een vernieuwend bouwmateriaal aan het begin van de 19e eeuw. Ook de lichttechniek die hij toepaste, een ingenieus lenzenstelsel, was vooruitstrevend. Onder leiding van Jacob Valk werd in 1817-1818 de kerktoren van West-kapelle omgebouwd tot vuurtoren. Ook aan de ontwerpen van de stenen kustlichttoren op het Fort Kijkduin (Huisduinen), de vuurtoren van Hellevoetsluis, Egmond aan Zee, Terschelling en Vlieland is zijn naam verbonden. In 1833 was Valk verantwoordelijk voor de bouw van een lichtwachtersverblijf en een nieuwe lantaarn op de kerktoren van Goedereede. De vuurtoren van Marken (1839) was het laatste ontwerp van Jacob Valk. Op 31 december 1842 kreeg Jacob Valk eervol ontslag, hij was toen 87 jaar oud. Vanaf dat moment was zijn neef Leendert Valk (1794-1867) verantwoordelijk voor alle bouwkundige ontwerpen en revisies. Leendert Valk, geboren in Rotterdam, was in de praktijk opgeklommen van timmerman tot tekenaar. Van 1832 tot 1850 was hij als bouwkundige in dienst bij het loodswezen, waar hij de eerste 10 jaar onder supervisie van zijn oom Jacob werkte. Officieel staan er slechts twee vuurtorenontwerpen op zijn naam: de vuurtoren van Haamstede en de vuurtoren van Urk. Vermoedelijk heeft hij ook belangrijke bijdragen geleverd aan de ontwerpen die op naam staan van Jacob Valk. Bron: Rijksmuseum en De vuurtoren van Urk en Marken door Jacob Kouwenhoven.

Laatste Update vrijdag, 08 november 2019