Scheepswrak NC130

Scheepswrak NC130

Plaats: Espel

Locatie: Espelerweg 37-I /37-II, kavel NC130

Maker:

materiaal: eikenhout

Jaar: 19e eeuw


Beschrijving:

In 1948 en 1949 kwamen bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) meldingen binnen van een scheepswrak op kavel NC130. Het bleek te gaan om een schip dat geladen was met puin. Het wrak werd zonder overleg door de Cultuurtechnische Afdeling van de Directie Wieringermeer uitgegraven voor bruikbaar puin, waarna het schip weer werd toegedekt. In 1955 werd het scheepswrak verkend en opgegraven. Het bleek te gaan om een tjalkachtig vrachtschip dat in de eerste helft van de 19e eeuw is vergaan. Het vrachtvervoer over de Zuiderzee gebeurde tussen 1700 en 1900 met twee soorten schepen: tjalkachtigen en praamachtigen. Beide waren geschikt voor het vervoer van massagoederen, maar tjalkachtigen waren door hun constructie betere zeilers dan pramen. De voorsteven van tjalkachtigen en het onderwaterschip zorgden voor minder weerstand in het water dan bij de praamachtigen. Hierdoor konden de tjalkachtigen op meerdere gebieden worden gebruikt. Bron: Tjalkachtigen van de Zuiderzee: Schepen en lading, 1700. 

De ondergangsdatum van de NC130 kon worden vastgesteld aan de hand van in het wrak gevonden centen en bakenloodjes, kleine loden penningen die dienden als bewijs dat men voor een betreffend jaar en regio de bijdrage betaald had voor het onderhoud van de vaarwegmarkering. In het wrak werden 2 koperen centen uit 1827 aangetroffen, die geslagen zijn tijdens het bewind van Koning Willem I. Aan de voorzijde zien we een gekroonde W tussen het jaartal 1827. Aan de achterzijde staat het gekroonde Rijkswapen tussen de waardeaanduiding 1 C. (cent). Daarnaast vonden de archeologen bakenloodjes van De Mijl bij Dordrecht uit 1829 en 1831. Aan de voorzijde was een paard (eenhoorn) afgebeeld. Aan de keerzijde stond bovenaan een sierlijke 'M', daaronder een jaartal en daar weer onder de waarde 12 gevolgd door de ‘S’ van stuivers. Binnenvaarders van buiten het gebied van Dordrecht die 20 last of groter waren betaalden voor het doorvaren jaarlijks 15 stuivers, schepen die 10-20 last groot waren betaalden 12 stuivers. Aan de hand van deze bakenloodjes mogen we aannemen dat de tjalk 10 tot 20 last groot was. Een last bedroeg ca. 2000 kg. Aan de hand van het jongste bakenloodje kan de ondergang in of kort na 1831 worden gesteld. Bron: Bakenloodjes van De Mijl en Sas. De Beeldenaar 2018-5