Pinas

Pinas
Pinas Pinas Pinas Pinas Pinas Pinas Pinas Pinas

Plaats: Den Helder

Locatie: Willemsoord

Maker:

materiaal: eiken hout

Jaar: ca. 1620


Beschrijving:

In 1948 vond een agrariër op kavel NE81 bij Urk het wrak van een schip. Onderleiding van drs. G.D. van der Heide, die destijds de leiding van het oudheidkundig bodemonderzoek in de nieuwe polder had, werd vastgesteld dat het schip in de 17e eeuw is vergaan. Het bleek een koopvaarder te zijn die een eikenhouten buitenwand had van niet minder dan 5 cm dikte, terwijl de gehele scheepswand 45 cm dik was. Het was zo goed bewaard gebleven in de bodem dat het pas tussen 1957 en 1961 door de Afdeling voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders werd blootgelegd en onderzocht. Uit dit onderzoek bleek dat het om een eikenhouten, karveel gebouwd zeewaardig vrachtschip ging, dat omstreeks 1620 moet zijn gebouwd. Het was een zeilschip met drie masten en een spiegel en behoorde tot het scheepstype pinas.

De Pinas is een klein en snel spiegelschip. Het werd zowel als koopvaardijschip als oorlogschip gebruikt. Het scheepstype was hoog in de achtersteven, rond van voorboeg en breed van spiegel. Het schip dat in de Noordoostpolder gevonden is washad ooit drie masten, was 27 m. lang, 7 m. breed, 3,5 m. hoog en kon circa 200 ton vracht vervoeren. Het was de meest ongeschonden koopvaarder die tot dan toe opgegraven was. Het schip was niet compleet, alleen het onderwater gedeelte en een stuk van de opbouw zijn bewaard gebleven. Op het roer en de voorsteven staan Romeinse cijfers. Dit zijn diepgangsmerken, uitgedrukt in Amsterdamse voeten.

Toen de archeologen het wrak onderzochten bleek het, in tegenstelling tot andere schepen, geheel leeg te zijn. De resten van de vracht die nog in het schip aanwezig waren, gaven aan dat de laatste reis naar het Middellandse Zeegebied moet zijn geweest. Aan boord werd ook een Zweedse munt uit 1654 gevonden. Vermoedelijk is het schip rond 1660 vergaan. Het hout van het schip bleek in (relatief) uitstekende staat te verkeren, reden waarom de archeologen zich afvroegen waarom het schip nooit geborgen was. Een veronderstelling is dat de koopvaarder wellicht aan de grond gelopen is en vervolgens vast is komen te zitten in een snel dichtvriezende Zuiderzee. Wellicht dat daarna het ijs is gaan kruien en het bovengedeelte van het schip kapot heeft gedrukt, waarna men de hoop heeft opgegeven het alsnog te bergen. Alleen het onderschip bleef op de zandbank achter en zonk langzaam weg in de zeebodem. Bron: Leidse Courant, 28 juli 1981 

Het wrak kan de ‘Samuel’ zijn geweest. Uit archiefstukken blijkt dat in 1662 schipper Steven Rogier met een kostbare lading sinaasappelen en witte port van Alicante naar Amsterdam onderweg was. Op 8 februari raakte zijn schip de ‘Samuel’ tijdens een storm uit koers en liep ten oosten van Urk op de Vormt aan de grond. Het verhaal gaat dat het schip leeggehaald is door Urker Vissers. In de 14e eeuw had de graaf van Kuinre hun voorvaderen het recht op Zeevond verleend. Dit recht hield in dat alles wat de zee gaf op Urker gronden gesjouwd mocht worden. De eilanders verkregen de goederen. Wel diende men een tiende aan de leenheer te betalen en kwam een gedeelte van de opbrengst de kerk toe. Op grond van dit oude gebruik hadden de Urkers de lading van boord van de Samuel gehaald en op Urk opgeslagen. Maar sinds Amsterdam in 1660 de Heerlijkheid Urk als leengoed had verkregen gold het Hollandse zeerecht bij stranding. Dit hield in dat de Urkers alleen op verzoek van de schipper de lading van boord hadden mogen halen. Vervolgens zouden de Amsterdamse Commissarissen voor Zeezaken de hoogte van de betaling vaststellen. Na de uitbetaling was het schip en de lading dan weer 'vrij'. De eigenaar van de lading, de rijke Amsterdamse koopman Paulus Godin (1615-1690) wilde niet zolang wachtte en vroeg ds. Richardus a Landt-werven (van Landswerven) om te bemiddelen. Al snel kwam het tot een overeenkomst en de eilander werden rijkelijk beloond. Bron: BotterNeis, december 2016.

De Pinas is in 1969 gelicht en in onderdelen over water naar het Rijksmuseum voor Scheepsarcheologie in Ketelhaven overgebracht.

Een houten wrak kan na opgraving niet zo worden bewaard, dan droogt het hout en valt het geheel uit elkaar. Het moet geconserveerd worden. Twee jaar heeft de pinas onder een watersproei-installatie gestaan. Omdat het cellulose nog in de houtvezels aanwezig was, hoefde er geen polyethyleenglycol (PEG) aan het water toegevoegd worden. Daarna is de koopvaarder in vier jaar tijd gecontroleerd gedroogd. De restauratie van het schip werd na 12 jaar in 1982 afgerond.

In 1997 sloot het Museum in Ketelhaven zijn deuren. Wegens plaatsgebrek is het wrak van de Pinas in 1998 in bruikleen gegeven aan Willemsoord in Den Helder. Sinds 2003 staat het vrachtschip opgesteld in een glazen vitrine op het terrein van Willemsoord, de voormalige scheeps- en onderhoudswerf van de Marine.

Op het Geheugen van Nederland staat een foto van de opgraving.

Laatste Update zaterdag, 08 december 2018