Prehistorisch jachtkamp kavel NJ112
Plaats: Nagele
Locatie: Vliegtuigweg 2, kavel NJ112
Maker:
materiaal:
Jaar: ca. 4000-3400 v. Chr.
Beschrijving:
Als onderdeel van het onderzoek naar de vormverandering van het eiland Schokland werden in 1948 proefopgravingen verricht op de kavels NJ112, 114, 115, 116 en NO26. Op kavel NJ112 werden aangepunte, ongeveer rechtopstaande paaltjes gevonden, tezamen met zeer veel scherven van Pingsdorfer aardewerken en vroeg, maar ook 18e eeuws kogelpottengoed. Het onderzochte gebied valt buiten het terrein dat op de kaart van Lucas Seidel van 1789 nog als gebied van Schokland wordt aangegeven, maar op de kaart van Leendert den Berger van 1788 is een gedeelte van dit terrein reeds als in 1773 en 1774 afgespoeld gebied aangeduid. Door dit onderzoek kregen de onderzoekers een duidelijker beeld van het landverlies om Schokland in de loop der eeuwen. Bron: Driemaandelijks bericht betreffende de Zuiderzeewerken jaargang 28 en 29, 3e en 4e kwartaal.
Per 1 november 1951 werden 135 bedrijven verpacht. Voor deze uitgifte waren ruim 3000 gegadigde. A. Bolijn kreeg de boerderij op kavel NJ112 in pacht. Op de kavel was een klein zandduin aanwezig. In verband met plannen tot egaliseren van het duin werd door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in 1989 een kleinschalig onderzoek uitgevoerd. Hierbij bleek dat dit duin nauwelijks was aangetast en een vrijwel intact prehistorisch oppervlak bezat. In het jaarverslag van 1989 van het ROB staat: "Over dit zeer kleine duin zijn twee elkaar op het hoogste punt snijdende en loodrecht op elkaar staande sleuven ontgraven en verdiept tot juist op het zandoppervlak. Daarna is in elke sleuf een aantal vlakken zijdelings verdiept, waarbij de uitgegraven grond met water is gezeefd. Zodoende kon met minimale beschadiging enig inzicht in de stratigrafische opbouw en bodemvorming verkregen worden en bovendien een globaal idee verkregen van de vondstspreiding. Slechts rond het hoogste punt van het duin had enige erosie ten gevolge van wateractie plaatsgevonden. Het aantal vondsten is zo klein dat slechts op grond van enkele technische aspecten van het vuursteen globale datering van het materiaal in het Mesolithicum of misschien het Vroeg-Neolithicum gegeven kan worden". In overleg met de pachter, de heer J. Bolijn, werd overeengekomen dat de lokatie door hem niet voor 1992 afgegraven zou worden en dat voor die tijd een archeologisch onderzoek zou plaatsvinden.
De opgraving vond in november 1992 plaats onder leiding van archeoloog drs. Willem Jan Hogestijn. "Wij wisten dat op het land van de familie Bolijn een klein rivierduintje lag", aldus Hogestijn in een kranteninterview. "Een van de weinigen in de Noordoostpolder die nog niet is geëgaliseerd of aangeploegd. Wij wisten dit al een jaar of vier. De heer Bolijn heeft nu echter te kennen gegeven dat het duintje nu toch echt weg moet en heeft ons toestemming gegeven om het op te graven. Tot nu toe hebben we ontdekt dat op het duintje een heel kleine nederzetting stond uit de middensteentijd. Dat is heel bijzonder, maar de precieze datering weten we nog niet. In ieder geval komt het uit een periode waarvan men hier in de Noordoostpolder nog nooit een heeft opgegraven en dat maakt het toch een waardevolle vondst". Hogestijn vermoedde dat het om een jachtkampje van een klein groepje mensen ging dat gelegen was aan een oude loop van de Overijsselse Vecht. Er werden Pre-Drouwener scherven (ca. 4000-3400 v. Chr.) gevonden, artefacten, door de mens gemaakte, bewerkte of gebruikte voorwerpen en haardkuilen. Dit zijn kuilen die zijn ingegraven in het zand, waarin een vuur werd gemaakt. In de kuilen werd houtskool aangetroffen. In de middensteentijd ofwel mesolithicum was het Noordoostpoldergebied bijna geheel begroeid met loofwoud, terwijl een open vegetatie in het zuidwestelijk kwart te vinden was. Hierin vielen de zandduinen op als lange, min of meer aaneengesloten hoogten met bos. De mensen leefden van wat de natuur te bieden had. Er werd gevist, gejaagd op wilde dieren en er werden eetbare planten verzameld. De jagers en verzamelaars trokken min of meer op seizoensbasis door het landschap.
Op 9 maart 2024 is op verzoek van de gemeente Noordoostpolder door AWN-leden nog een veldverkenning op kavel NJ112 uitgevoerd om te kijken of er nog iets over is van de mesolithische vindplaats op het duintopje dat aan het oppervlakte zichtbaar is. Omdat men vermoedden dat verkleuringen mogelijk wezen op een haardkuil werd een monster genomen dat in het depot gezeefd en bekeken werd. Dit leverde brokjes houtskool op. Tijdens de veldverkenning werden verder wat afgeslagen brokken en afslagen verbrand vuursteen, verbrand natuursteen, onverbrande natuursteen afslagen en een schrabber gevonden. Bron: awnflevoland.nl