Eerste woningen Rietstraat en omgeving
Plaats: Emmeloord
Locatie: Onkruidbuurt
Maker: Directie Wieringermeer
materiaal: baksteen / dakpannen
Jaar: 1943 - 1944
Beschrijving:
Omdat er snel met de bouw van woningen in Dorp A, het latere Emmeloord, begonnen moest worden werd al in een vroeg stadium door de Directie Wieringermeer een gedetailleerd ontwerp gemaakt voor wijk 1. De latere stratennamen in dit oudste deel van Emmeloord zijn ontleend aan de pioniersvegetatie, de onkruidsoorten die in de eerste jaren na de drooglegging goed gedijden op de brakke grond, zoals bijvoorbeeld klein hoefblad, meldesoorten, knoopkruiden en distels. Daarnaast groeide in de periode 1942-1945 alleen in de Noordoostpolder meer riet dan in de rest van Nederland bij elkaar. Maar riet was eigenlijk geen onkruid. De rietbegroeing belemmerde niet alleen de groei van onkruiden, maar gebruikte ook veel bodemwater waardoor de grond sneller indroogde. Bovendien werd de grond steviger, wat de ontginning vergemakkelijkte. Het riet was na de ontginning betrekkelijk goed te bestrijden, de zeer lastige onkruiden vergde meer werk.
Ondanks de op 1 juli 1942 door de Rijkscommissaris van Nederland, Arthur Seyss-Inquart, afgekondigde algemene bouwstop mochten in Emmeloord de eerste permanente woningen gebouwd worden. In de zomer van 1943, nog geen jaar nadat de Noordoostpolder op 9 september 1942 officieel drooggevallen was, werd met de realisatie begonnen. De huizen werden gebouwd in een sobere variant van de Delftse School, een ambachtelijke en eenvoudige baksteenarchitectuur in traditionele bouwtechniek, met een schuin pannen dak, gesloten gevels met ramen als ‘gaten’, een benadrukte hoofdentree, spaarzame accenten en ingetogen versieringen. In Driemaandelijksche Mededeelingen betreffende de werkzaamheden voor afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee jaargang 25, 3e en 4e kwartaal 1943 staat: "Woningbouw te Emmeloord. Hier is een bescheiden begin gemaakt met woningbouw, welke slechts zal kunnen worden voortgezet indien spoedig over voldoende hoeveelheden hout en ijzer kan worden beschikt. De materialen steen en cement zijn op het oogenblik voldoende beschikbaar, terwijl ook de levering van de benoodigde kozijnen vrijwel verzekerd schijnt". Vlakbij het toenmalige arbeiderskamp begon men met de bouw van woningblokken aan de Middenstraat, de Zuiderstraat, de Weststraat en de Ooststraat, waaraan in de tweede helft van 1945 respectievelijk de namen Rietstraat, Zeeasterstraat, Zeebiesstraat en Lisdoddestraat werden toegekend.
De bouwmaterialen werden per schip over de Urkervaart aangevoerd en vervolgens met lorries over smalspoor naar de bouwplaats gebracht. In het verslag van het 1e en 2e kwartaal 1944 kunnen we lezen: "Woningbouw te Emmeloord. Deze woningen vorderde langzaam doch niettegenstaande schier onoverkomelijke moeilijkheden laat het zich aanzien, dat dit werk tot een goed einde gebracht zal worden. Van de 130 onderhanden zijnde woningen kwamen er 26 gereed. De timmer-, stucadoor- en schilderwerken van de overige woningen wordt voortgezet". Voor het ontwerp en de constructie van de woningen was de Bouwkundige Afdeling van de Directie Wieringermeer verantwoordelijk. De omstandigheden waaronder werd gebouwd waren verre van ideaal. Nederland was door de Duitsers bezet en materiaal, werktuigen, gereedschap en geschoolde arbeiders waren schaars. Ook golden er strikte bouwvoorschriften. Omdat van de Duitsers niet ruim gebouwd mocht worden zijn de huizen bescheiden van afmeting, ze zijn smal en ondiep. De woningen zijn seriematig ontworpen, er werden meerdere typen ontwikkeld (A t/m G). Omdat de polderbevolking aanvankelijk in hoofdzaak gevormd zou worden door jonge gezinnen werden alle woningen van ten minste drie slaapkamers voorzien. De eerste huizen die gereed kwamen, waren strikt gereserveerd voor het leidinggevend personeel van de Directie Wieringermeer en winkeliers. Omdat er ruimte genoeg was in de nieuwe polder zijn er voornamelijk rijen eengezinswoningen gebouwd in een ruime, open blokverkaveling. Hierbij zijn de woningrijen om en om gesitueerd, dus met de rug of voorkant naar elkaar toe. Om te voorkomen dat de bebouwing te massief zou worden, zijn de rijen gesplitst in blokken van vier tot acht woningen. Tussen de woningblokken waren doorgangen naar het achtergebied. Een historische bijzonderheid van de eerst gebouwde woningen in Emmeloord is dat het balkhout werd gezaagd uit palen die afkomstig waren uit de westelijke zeewering van het voormalig eiland Schokland. Bron: Woningbouw in Flevoland.
In 1943 kwamen, aan de rand van de rimboe, de eerste definitieve woningen gereed die gebouwd waren door bouwbedrijf Kingma uit Vollenhove. Op 15 december 1943 werd de sleutel van de woning aan de Middenstraat 2 (Rietstraat) overhandigd aan de eerste bewoners, de familie Molenberg uit West Friesland. In de straat staan compacte, bijna gesloten woonblokken, waarvan de naast elkaar gelegen woningen gespiegeld zijn. De nokrichting van de daken is parallel aan de straat. De eenlaagse huizen zijn traditioneel gebouwd van roodbruine baksteen en hout en staan onder een met gebakken rode pannen gedekt zadeldak dat voorzien is van duidelijk gemarkeerde schoorstenen. De laatste schoorstenen vormen de tuit van de tuitgevel waardoor ze niet meer alleen een schoorsteen zijn, maar een essentieel onderdeel vormen van de vormgeving. Kenmerkend voor de Delftse School is de vrij hoge en stijle kap met aan voor- en achterzijde identieke dakkapellen met een karateristieke puntig vormgegeven daklijst. De woningen hebben een lage dakgoot, een ranke bakgoot op klossen met baksteendetaillering in muizentand. Tot aan de Tweede Wereldoorlog werd er in Nederland hoofdzakelijk steens dik gemetseld, omdat dat voldoende dik was om de regen buiten te houden, maar het vocht echter niet. Na de oorlog bouwde men met spouwmuren, twee afzonderlijke evenwijdige halfsteensmuren die door een smalle luchtruimte, de spouw, gescheiden zijn. Maar ook de woningen in de Rietstraat kregen een spouwmuur. De buitengevels ofwel de buitenbladen zijn gemetseld in klezoorverband of klezorenverband, ook wel kwart strekverband genoemd, een metselverband in halfsteensmuur waarbij de stootvoegen tussen de strekken per laag een kwart (een klezoor) van de steenlengte verspringen. De lagen bakstenen overlappen elkaar met een steenlengte van driekwart steen, een driekleizoor. Dit metselverband kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog in opkomst. Bakstenen waren in de oorlogsjaren schaars en met een klezoorverband hoefde de metselaar minder stenen te hakken en was er dus minder afval. Bij klezorenverband wordt onderscheid gemaakt tussen klezorenverband met vallende tand of staande tand. In de Rietstraat is het klezorenverband met staande tand toegepast waarbij om de laag op de hoek begonnen wordt met een drieklezoor. De lagen verspringen dan een klezoorlengte die om de andere laag weer terug verspringt. Zodra de lagen steeds in één richting verspringen, waarbij door het verloop van de stenen de lijn een 'vallende beweging' laat zien, spreken we van een vallende tand die naar links of naar rechts verwerkt kan worden. De schuine randen van de eindgevels van de woningen zijn afgewerkt met vlechting. In een (boeren)vlechting of schuine strek zijn wigvormige stukken metselwerk, beitels of tanden genaamd, loodrecht op de schuine rand van de topgevel geplaatst. Een vlechting is het geheel van deze beitels langs één schuine gevelrand. Omdat de baksteen vroeger minder hard was dan tegenwoordig was de vlechting bij woningen met een steile dakhelling nodig om het verband van de halfsteensmuur te versterken. De bijzondere metseltechnieken die in de woningen zijn toegepast waren allemaal vastgelegd in een bestektekening. De metselaar voerde het bestek letterlijk uit door de bouwtekening te volgen bij het metselen van muren, het leggen van stenen en het aanbrengen van voegwerk.
Behalve de woonkamer en keuken hadden de woningen in de Rietstraat ook een slaapkamer op de begane grond. Op de verdieping, onder de kap, was aan de voorzijde een grote slaapkamer en twee kleinere aan de achterzijde. Onder de trap was een kelder. De huizen hadden geen badkamer. De woningen, die 5,54 m breed en 7,00 m diep zijn, richten zich naar de straat. Kleine voortuintjes vormen de overgang tussen privé en openbaar. De huizen met een oneven huisnummer zijn van type B en net iets groter dan de woningen met een even huisnummer van type A. De woningen type B hebben een hogere goot op 4,10 m en zijn 6,60 m breed en 6,53 m diep. Op de begane grond was de slaapkamer aan de voorzijde gesitueerd en de woonkamer aan de achterzijde. In het dak, met een hellingshoek van 53°, zat aan de voorzijde een kleine dakkapel met houten klauwstukken. Een klauwstuk is een uit- en ingezwenkt zij- en vleugelstuk aan weerszijde van de dakkapel. Aan de achterkant zat een grotere dakkapel met fronton, een driehoekige bekroning. Ook hier zijn in de tuitgevels van de eindwoningen vlechtingen aangebracht. In de woning Middenstraat 1 was het postkantoor gehuisvest, dat later uitgebreid werd met Middenstraat 3. Op de kruising met de Moerasandijviestraat verrezen eindwoningen met een winkel van type F en G, die een kwartslag gedraaid zijn ten opzichte van de woonblokken in de Rietstraat. De kopgevel is de voorgevel. Type F was van dezelfde afmetingen als type A en type G had dezelfde afmetingen als type B. Destijds was in de samenleving nog duidelijk sprake van klasseverschil. In de Rietstraat woonden arbeiders en mensen die bij de Directie Wieringermeer werkten. Na de Rietstraat volgden de (arbeiders)woningen aan de Weststraat en de Zuiderstraat. In de Weststraat (Zeebiesstraat) zijn in 1943/1944 arbeiderswoningen van type A' gebouwd, hetzelfde type als de woningen met even huisnummers in de Rietstraat alleen met een dakgoot op 4,10 m. Bronen: Beeldkwaliteitplan Rietstraat en Zeebiesstraat e.o. Emmeloord; Rietstraat en omgeving Emmeloord, Cultuurhistorische waardestelling.
De (arbeiders)woningen aan de Zuiderstraat (Zeeasterstraat) zijn in 1943/1944 gebouwd. De bebouwing bestaat uit eenlaagse strookbebouwing van vier of meer woningen. Ze zijn opgetrokken in roodbruine baksteen en hebben een met rode pannen belegd zadeldak. De detaillering is sober, maar wel zorgvuldig. De muren zijn uitgevoerd in schoon metselwerk in Vlaams verband, een combinatie van staand- en kruisverband. Het Vlaams verband is een metselverband voor steensmuren waarbij in iedere laag afwisselend een kop (de korte zijde van de baksteen) en een strek (de lange zijde van de steen) worden gelegd. De kop in de laag ligt midden boven de onderliggende strek. Het Vlaams verband wordt vaak gebruikt voor een traditionele uitstraling bij gevels. Omdat versieringsmogelijkheden door de Duitse bouwschriften ontbraken, moesten de architecten zich toeleggen op de zuivere vorm. Boven de deuren en ramen zijn rollagen gemetseld. De bakstenen deuromlijsting ligt iets verdiept. Net als in de Rietstraat zijn de kopgevels van de eindwoningen tuitgevels waarin (boeren)vlechtingen of schuine strek zijn aangebracht. De beitels, die zaagtandvormig ingelaten zijn in de horizontale metsellagen, bestaan uit 14 lagen baksteen eveneens in Vlaams verband. De schuine strek vergt veel vakmanschap van de metselaar. Doordat er meerdere beitels boven elkaar komen en ze aan beide zijden van de gevel zitten, dienen ze zeer nauwkeurig uitgevoerd te worden omdat anders snel een onrustig beeld ontstaat. De prachtige details in baksteen met verschillende metselverbanden, zoals ook de fries in elleboogverband onder de goot, zijn een expressie van een lange traditie in baksteenarchitectuur in Nederland. De baksteen detaillering van deze huizen is in vergelijking met later gebouwde woningen rijk te noemen. De 18 eenlaagse woningen met aangekapte, lichtgespitste dakkapellen, die iets door de gootlijn zijn gezakt, waren als eerste gereed. Bij renovaties zijn de oorspronkelijke dakkapellen vaak vervangen door schuin aangekapte dakkapellen. De tweelaagse woningen aan de overzijde van de straat zijn na de oorlog gebouwd en werden bewoond door ambtenaren.
Aan de Ooststraat kwamen de woningen met de oneven huisnummers in 1943/1944 gereed. Deze woningen, die ruimer van opzet zijn en duidelijk chiquer van uitstraling, waren bestemd voor de ingenieurs. De Ooststraat kreeg in 1945 de naam Lischdoddestraat, conform de rest van de straatnamen in deze onkruidbuurt. Bij besluit van landdrost Smeding van 16 juli 1946 werd de naam Lisdoddestraat gewijzigd in Lisdoddelaan. Omdat echter later werd gesteld dat de wegen die een wijk begrenzen, een neutrale naam diende te krijgen, werd de Lisdoddelaan vanaf 1948 de Espelerlaan. De woningen aan de Espelerlaan hebben twee bouwlagen onder een flauw hellend met rode pannen gedekt zadeldak dat voorzien is van beeldbepalende schoorstenen. De gevels zijn opgetrokken in roodbruine baksteen en gemetseld in klezoorverband met staande tand, ookwel staand klezoorverband genoemd. Het staand klezorenverband is een sierverband. Het lijnenspel in het metselverband geeft een architectonische verfraaiing aan het metselwerk. De deuren en ramen hebben een betonnen omlijsting. De ramen zijn ongelijkmatig over de gevel verdeeld, gerelateerd aan de achterliggende functie. De gevelindeling heeft op de begane grond een voordeur en een groot raam in de huiskamer. Op de verdieping een klein vierkant badkamerraampje en twee iets grotere bijna vierkante slaapkamerramen. Een belangrijk onderdeel van de Delftse School architectuur was de roedenverdeling in de ramen die de sobere architectuur een vriendelijk en zelfs elegante uitstraling gaf. De oorspronkelijke ramen met roedeverdeling zijn bij de meeste woningen verdwenen. Door de strikte afwisseling van grote en kleine vensters wordt de gevel ritmisch geleed. Aan de overzijde van de straat, in de woningen die vanaf 1948 gebouwd waren, woonden de opzichters van de Directie Wieringermeer. Op 6 augustus 1953 stond in de Leeuwarder courant onder de kop "Vijf woningen aan de Espelerlaan in Emmeloord bijna gereed" het volgende: "De vijf woningen welke aan de Espelerlaan te Emmeloord zijn gebouwd, zijn bijna gereed. Hiermede is de Espelerlaan 'vol' gebouwd. Een bijzonderheid is, dat de huizen eerst zwarte pannen op het dak hadden, maar dat deze zijn vervangen door rode om het geheel niet te ontsieren, daar de andere woningen ook rode daken hebben".
In 1953 bouwde aannemingsbedrijf Kingma en Zn aan de Hoefbladstraat een 20-tal woningen voor eigen rekening. Het was voor de eerste keer dat er woningen in de Noordoostpolder gebouwd werden door een particulier. Bron: 't Nieuws voor Kampen 30-1-1953. De koopwoningen waren voor particulieren gebouwd die niet in aanmerking kwamen voor een huurwoning van de Directie. De eerste huizen werden begin september 1953 in gebruik genomen. De verschijningsvorm wijkt af van de destijds in Emmeloord in de stijl van de Delftse School gebouwde woningen. De in baksteen opgetrokken twee-laagse rijtjes huizen, die niet gespiegeld gebouwd zijn, staan onder een flauw hellend met rode dakpannen gedekt zadeldak. De bakstenen op de eerste verdieping zijn wit geschilderd. De woningen hebben grote ramen. Boven de brede entree bevindt zich een half inpandig balkon dat aan één zijde op een voor de woning uitstekende gemetselde muur rust. De woningen hadden, in tegenstelling tot de woningen die in opdracht van de Directie Wieringermeer gebouwd waren, kleine achtertuinen.

