Belgische barak
Plaats: Emmeloord
Locatie: Sportlaan 48
Kunstenaar:
Materiaal: hout
Jaar: 1947
Beschrijving:
Na de drooglegging van de Noordoostpolder werden vanaf 1942 de eerste cultuurboerderijen in het oostelijk deel van de polder gebouwd. Deze boerderijen waren volledig geënt op de boerderijen uit de Wieringermeer. Na de oorlog werd al snel duidelijk dat het enorme bouwprogramma met de traditionele bouwwijze onmogelijk gehaald kon worden. De eerste landbouwbedrijven in de Noordoostpolder werden eind 1947 in pacht uitgegeven door de Afdeling Domeinbeheer. De Staat was verantwoordelijk voor het stichten van de gebouwen, in korte tijd moest een groot aantal onderkomens worden gebouwd.
Vanwege gebrek aan bouwmaterialen en geschoolde bouwvakarbeiders was het onmogelijk om op de te verpachte percelen direct definitieve boerderijen te bouwen. Om in 1947 toch in het oostelijk deel van de polder de bedrijfsvoering te kunnen starten werden 90 houten noodgebouwen gerealiseerd. In de Leeuwarder courant van 20 november 1947 stond: "[…] in 'de polder' werd in 1942 zegge en schrijve één [boerderij] gebouwd. In 1942 kwamen er weliswaar twintig bij, in 1944 zelfs 28, maar in 1945 en 1946 werd er weer slechts één boerderij bijgebouwd, zodat er nu in totaal 51 permanente boerenbehuizingen staan, ieder met ongeveer 500 bunder land er om heen. Enkele van deze boerderijen staan in het gebied, dat dit jaar zal worden uitgegeven en slechts twaalf van de 105 nieuwe boeren zullen inderdaad met hun hele bedrijf 'onder de pannen' komen. De rest zal voorlopig moeten wonen in kampen (na Mei in nog te bouwen woningen, die eigenlijk voor de vaste arbeider bestemd zijn) en zich verder moeten behelpen met een Belgische barak, die wel plaats biedt aan de paarden, de koe en de landbouwmachines, maar niet aan de oogst […]". De benodigdheden voor deze noodvoorzieningen werden aangevoerd uit België en waren afkomstig van legerbarakken waarin krijgsgevangenkampen tijdens de Tweede Wereldoorlog waren ondergebracht, vandaar de naam 'Belgische barak'. In 1948 werden er slechts drie bedrijven uitgegeven, omdat het niet raadzaam werd geacht, door te gaan met de stichting van noodgebouwen. Begin december 1948 meldde de Heerenveensche koerier over de uitgifte van bedrijven: "Het tempo wordt echter geheel bepaald door de huizen- en boerderijenbouw, want het experiment om de uitgifte te bespoedigen door het bouwen van noodschuren, is niet bijster uitgevallen. Nog steeds moeten de eerste pachters zich behelpen met een noodschuur".
In 1948 werden bij de Belgische barakken geïmporteerde houten prefab-woningen, de zogenaamde Oostenrijkse woningen gebouwd. Met de bouw van de Oostenrijkse woningen werd de montagebouw in de polder geïntroduceerd. Vanaf 1952 werden de 90 gebouwde noodschuren langzaamaan vervangen door schokbetonnen schuren van het bedrijf N.V. Schokbeton uit Kampen. In Driemaandelijksch bericht betreffende Zuiderzeewerken 1952, 4e kwartaal staat: "Boerderijbouw. Na de honderd montageschuren die volgens bestek 1005 gereed kwamen, werd opdracht gegeven voor de bouw van 25 montageschuren (bestek1006) en later voor de bouw van 42 schuren (bestek 1007). 61 van de laatst genoemde schuren dienen ter vervanging van de houten noodschuren, gemaakt van onderdelen van barakken uit Belgische militaire kampen. Bij de opzet was gerekend op een levensduur der noodschuren van 5 jaren en de toestand waarin de schuren zich momenteel bevinden, maakt haar vervanging ook inderdaad nodig". In maart 1954 waren nog 23 van de 90 noodschuren in gebruik bij kleine akkerbouwbedrijven waarop ook wat vee werd gehouden; 8 staatslandbouwbedrijven van 12 ha, 8 particuliere bedrijven van 12 ha en 7 particuliere bedrijven van 18 ha. Het dagelijks bestuur van de Stichting voor de Landbouw vond het de hoogste tijd dat aan deze toestand een einde kwam. De stichting verzocht Jacob Algera, de minister van Waterstaat, deze laatste noodschuren zo snel mogelijk op te ruimen en liefst datzelfde jaar en anders uiterlijk in 1955 definitieve bedrijfsgebouwen te plaatsen. Bron: Nieuwsblad van het Noorden 23-3-1954, pag. 2. Op 27 december 1954 stond in het dagblad Het Parool: "In de Noordoostpolder zullen nog 25 boerderijen worden gebouwd, die de noodschuren van thans moeten vervangen".
Aan de Sportlaan staat de nog enige overgebleven 'Belgische barak' in de Noordoostpolder. De schuur staat op een rechthoekig grondplan. De gevels zijn opgetrokken uit bruin geschilderde liggende planken. Het authentieke gebouw heeft één bouwlaag en een licht hellend zadeldak. Vanuit deze, door de Directie Wieringermeer geplaatste schuur, werd eind jaren 40 de beplanting in de polder gerealiseerd. De Directie besteedde het beplantingsplan in 1942 uit aan de Afdeling Landschapsverzorging van Staatsbosbeheer, die landschapsarchitect prof. J.T.P. Bijhouwer vroeg als beplantingsadviseur. In 1943 werd een beplantingscommissie opgericht die bestond uit leden van de Directie Wieringermeer, de Dienst der Zuiderzeewerken, Staatsbosbeheer en de stedenbouwkundig adviseurs M.J. Grandpré Molière en P. Verhagen. Deze commissie werkte het algemeen beplantingsplan uit dat op 3 januari 1948 door de minister werd goedgekeurd. Landschapsarchitect Piet Kelder (1922-2015) werkte van 1948 tot de gemeentewording in 1962 aan de realisatie van het beplantingsplan en de daadwerkelijke aanplant. Kelder, werkzaam bij Staatsbosbeheer, werd in 1945 bij de bouwkundige afdeling van de Directie Wieringermeer gedetacheerd. De ontwerpen van alle dorpsbeplanting in de ontwikkelingsfase, uitgezonderd Nagele, staan op zijn naam. Het Dorpsbos van Nagele is wel door Kelder ontworpen. In 1960 was vrijwel het gehele beplantingsplan uitgevoerd.
In 2021 is de Belgische Barak gerenoveerd en ingericht als natuureducatie centrum. IVN Noordoostpolder maakt samen met de projectgroep Voedselbos Emmeloord en Stichting Huttenbouw Noordoostpolder gebruik van de barak die in het Voedselbos staat dat op 8 oktober 2020 officieel geopend werd door wethouder Marian Uitdewilligen. In het Voedselbos staan enkele kunstwerken waarvan u hier de beschrijving vindt.

