Burchten van Kuinre

Burchten van Kuinre
Burchten van Kuinre Burchten van Kuinre Burchten van Kuinre

Plaats: Bant

Locatie: Kuinderbos, kavel NM131-133 en NR77

Maker:

materiaal: steen , aarde

Jaar: ca. 1165, 1204 en 1378


Beschrijving:

In de 12e eeuw werd in historische bronnen al melding gemaakt van een burcht in Kuinre. In een oorkonde uit 1118 verkreeg de Utrechtse bisschop Godebold door ruiling een ‘swechus juxtta Cunre’ met enige hoeven. Andere schriftelijke middeleeuwse bronnen vermelden "versterkingen op aarden verhogingen". Op een landkaart uit 1534 werd het "'t slott ter cuynre" genoemd. Enkele 15e en 16e eeuwse documenten noemen "grachten, een brug, verschillende woonvertrekken, een poort, bijgebouwen en verdedigingswerken".

Zo nu en dan haalden vissers stenen op in hun netten en volgens de overlevering kwamen bij laag water stenen resten te voorschijn. Bij het droogleggen van de Noordoostpolder werd bij graafwerkzaamheden in 1941-1942 een grote hoeveelheid baksteenpuin en een paalfundering gevonden. In 1943 deed Pieter Jan Remees Modderman (1919-2005), als archeoloog verbonden aan het toenmalige Biologisch-Archeologisch Instituut in Groningen, onderzoek. Dit onderzoek wees uit dat dit de fundamenten waren van een kasteel uit de vroege middeleeuwen, een 'mottekasteel', een ronde burcht op een kunstmatige heuvel met daar omheen een ringvormige gracht. Het Franse woord 'motte' betekent een heuvel gemaakt door mensen, dus als een kasteel of een toren op een kunstmatig aangelegde heuvel stond werd het een 'mottekasteel' genoemd. Op enkele paalgroepen bevonden zich zware stenen. Dit waren resten van spaarbogen waarop een ringmuur was gebouwd. De resten van de fundering vormden een cirkel met een doorsnede van circa 30 meter. Daar waar in de door de fundering gevormde cirkel enkele funderingen ontbraken ontdekte men een vloer. Bij de opgravingen zijn o.a. drie oude vazen van langwerpig model te voorschijn gekomen. Eén ervan werd in een apart putje gevonden. Daarnaast werd in de buurt van de burcht een ijzeren kogel opgegraven.

De burcht lag in het betwiste grensgebied van de graven van Holland enerzijds, met een machtsbasis in Friesland, en anderzijds de Bisschop van Utrecht (het Sticht), die opereerde vanuit het Oversticht (het huidige Overijssel). Omstreeks 1165 werd door Godfried van Rhenen, bisschop van Utrecht, even ten zuiden van Kuinre een kasteel gebouwd dat moest dienen als bescherming tegen de Friezen. In deze burcht zetelden de Heren van Kuinre. Zij stamden af van een geslacht van ministerialen, vertegenwoordigers, die namens de bisschop het gezag over de heerlijkheid Kuinre uitoefenden. Omstreeks 1190 wordt voor het eerst melding gemaakt van een heer van Kuinre, namelijk Heinricus Grus, beter bekend onder zijn bijnaam Hendrik de Crane. Grus is het Latijnse woord voor Crane oftewel kraanvogel. Hij voerde rooftochten in Friesland uit, met vele conflicten tot gevolg. Zo kreeg hij het aan de stok met Willem I, graaf van Friesland, die in 1196 met een leger naar Kuinre trok en de burcht vernietigde. Hendrik de Crane vluchtte naar Holland waar hij bescherming vond bij graaf Dirk, de Bisschop van Utrecht. Deze bemiddelde tussen Willem I en Hendrik de Crane. Hendrik kreeg zijn goederen en rechten, die hem door Willem I waren ontnomen, terug. In 1204 werd de burcht van Kuinre weer herbouwd. 

Aanvankelijk leefden de Heren van Kuinre in dit moerassige gebied van de jacht en de visserij. Door de voortdurende afkalving van de kust werd het jachtgebied echter voortdurend kleiner en gingen de heren meer aandacht geven aan het tol heffen op de scheepvaart. In de Middeleeuwen werd de Zuiderzee druk bevaren. Vanuit hun burcht controleerden de Heren van Kuinre de handelsroutes die via de IJssel, de Vecht en de Kuinder liepen. De burcht lag op een uitermate strategische locatie ten opzichte van de Hanzeroutes naar het Oostzeegebied. Toen het tol heffen niet genoeg opleverde, ging men over tot het overvallen van schepen. De Heren namen soms de vracht of het schip van de handelaren in beslag. In ruil voor losgeld konden zij dan hun bezit terug krijgen. En werden de schepen op de Zuiderzee niet beroofd dan deden de Heren van Kuinre aan valsmunterij wat ook een aardige duit in het laatje bracht. De tirannie van de Heren van Kuinre moet tussen 1350 en 1400 het ergst zijn geweest. Johan II, zijn broer Herman I en diens zoon Herman II ontpopten zich in die halve eeuw als ware zeerovers. Herman II had het in het bijzonder voorzien op de Hamburgers. Toen Herman I in 1376 vermoord werd, zonder dat de dader bekend was, gaf zijn zoon de Hamburgers de schuld. Hij viel de Hamburgers aan waar hij maar kon, zowel te land als ter zee. De stad Hamburg stuurde gezanten naar de steden Deventer, Zwolle en Kampen om hen te vragen te bemiddelen bij een verdrag met Herman II van Kuinre. In mei 1376 kwam in Kampen een vredesverdrag tot stand tussen Herman II en Hamburg. Maar ook na dit verdrag bleef Herman II zich bezighouden met zeeroverij getuigen de vele aanklachten die tegen hem werden ingediend. 

Door grote stormen kwam de kustlijn steeds noordelijker te liggen. In de nacht van 9 op 10 oktober 1375 werd het Zuiderzeegebied getroffen door een stormvloed. De burcht werd verzwolgen door de zee en de bewoners verlieten het burchtterrein. Rond 1378 verrees een paar honderd meter ten noord-oosten van het oude kasteel, op de andere oever van de rivier de Kuinder of zoals de Friezen zeggen de Tjonger, een nieuwe burcht. In oktober 1406 werd Kuinre door één van de grootste overstromingen getroffen. Daarbij verdronk het dochtertje van Herman II van Kuinre. De Heer van Kuinre kon zijn verdriet niet verwerken. Volgens de verhalen meende hij zijn dochter na haar dood nog op het landgoed waar te nemen en heeft het landgoed daaraan zijn naam "Luttelgeest" (kleine geest) te danken. In het begin van de 15e eeuw verloren de heren van Kuinre de machtspositie die zij zich in voorgaande eeuwen hadden toegeëigend. Frederik van Blankenheim, bisschop van Utrecht, kocht in 1407 de heerlijkheid Kuinre van Herman II en diens zonen Herman III en Hendrik. Bij de aankoop was sprake van "het huis met de berg en de heerlijkheid te water en te land". De burcht werd in handen gegeven van een bisschoppelijke kastelein. Tijdens de Gerlderse oorlogen werd de burcht regelmatig door de hertog van Gelre ingenomen en door de bisschop van Utrecht ontzet. In 1528 werden de Nederlanden onder keizer Karel V verenigd en deed de bisschop van Utrecht afstand van zijn wereldlijk gezag. De burcht werd tussen 1531 en 1535 afgebroken. De meeste stenen zijn hergebruikt om het Blokhuis in Genemuiden, dat eigendom van de bisschop van Utrecht was, te versterken.

In 1948 vond archeologisch onderzoek plaats onder leiding van Gerrit van der Heide (1915-2006), archeoloog in dienst van de Directie Wieringermeer afd. Noordoostpolderwerken. Bij de opgraving stuitte Van der Heide op 15 funderingsstiepen die in een cirkelvorm waren geplaatst. Tijdens het onderzoek werd steengoed gevonden uit verschillende perioden (12e t/m 17e eeuw). De plek van de burcht werd in het landschap aangegeven. De gracht werd uitgegraven, de plaats van de burcht opgehoogd en op de plaats van de funderingsstiepen werden jonge Canadese populieren aangeplant. In 1988 is de burcht in opdracht van Staatsbosbeheer gereconstrueerd. De funderingen zijn op de vernieuwde burchtheuvel nagebouwd. Hierdoor krijg je als bezoeker een beeld van de ondergrondse archeologische restanten. De slotgracht ligt op de originele plaats en diepte. De tweede burcht is in 1951 ontdekt met behulp van luchtfoto's die de RAF in de Tweede Wereldoorlog gemaakt had. Bodemkarteerder Siebrich de Vries, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, zag op deze foto's cirkels die te rond waren om natuurlijk te zijn. Daarop voerde archeoloog Van der Heide onderzoek op kavel NR77 uit naar de ontdekte sporen. Hij groef door middel van de kwadrantenmethode twee delen van de burcht op. De opgraving bevestigde dat dit de plek was waar de tweede burcht van Kuinre ooit had gelegen. De resten zijn nooit in het landschap zichtbaar gemaakt omdat de locatie in 1951 al een agrarische bestemming kreeg. Om de burchtresten te beschermen mag op de kavel niet dieper dan de bouwvoor geploegd worden. Tijdens de opgravingen werden voorwerpen als wapens, potten, bekers en een bijna complete leistenen zonnewijzer gevonden. Vanwege de cultuurhistorische- en wetenschappelijke waarden zijn de overblijfselen van de beide burchten in 1978 als archeologische monumenten ingeschreven in het rijksmonumentenregister, monumentennummer 46028.

In oktober en november 1999 heeft de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) opnieuw onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd dat waarschijnlijk alleen de eerste burcht, die omstreeks 1165 gebouwd is, een mottekasteel kan zijn geweest. In het begin van de 13e eeuw verrees op het burchtterrein een baksteen ringmuur en mogelijk in overeenstemming met andere complexen is daarbij de motte (deels) ontmanteld en ommuurd. In het midden van de 13e eeuw hebben mogelijk een zestal grachten het burchtterrein omsloten. De burcht kan tot het type ronde of polygonale (veelhoekige) kastelen worden gerekend. Bij de opgraving is gebleken dat ook de tweede burcht een ronde vorm en een verhoogd binnenterrein heeft gehad. Op het terrein zijn zeven concentrische grachten aangetroffen, waarvan de binnenste een rond terrein met een diameter van 45 meter omsloot. Op basis van de grondsporen kan geconcludeerd worden dat de tweede burcht waarschijnlijk geen motte was, maar ook tot de ronde of polygonale kastelen moet worden gerekend. Dit is opmerkelijk omdat dit kasteeltype in Nederland in de 14e eeuw vrijwel niet meer voorkwam.

Bekijk hier 'Museum schatten: De burcht van Kuinre'

Bronnen: 'Burchten op de bodem van de zee: Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) naar de burchten van Kuinre' en 'Roofridders in de Noordoostpolder'.

 

Laatste Update vrijdag, 24 juli 2020