Hulp en Steun

Hulp en Steun
Hulp en Steun Hulp en Steun Hulp en Steun Hulp en Steun Hulp en Steun

Plaats: Urk

Locatie: Wijk 1-44

Kunstenaar: Piet Brouwer

Materiaal: chamotte klei

Jaar: 1991


Beschrijving:

Aan de Westhavenkade heeft tot ca. 1976 het gebouw van de 'IJsschuiten Vereniging Hulp en Steun' gestaan dat in 1905 door de visserijvereniging op Urk gebouwd werd. In het eenlaagse gebouw had de vereniging haar reddingsmateriaal, touwwerk en de ijsvletten opgeslagen. De statuten van de 'IJsschuiten Vereniging Hulp en Steun' zijn goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 1907 en gepubliceerd in Staatsblad nummer 7. In de statuten staat het doel van de vereniging als volgt omschreven: "Hulp te bieden aan zeevarenden die in de nabijheid van Urk in nood verkeeren door storm, ijs of ongeval. Visschers of inwoners van Urk, aan andere plaatsen door den winter overvallen zijnde, te helpen tot het bereiken hunner woonplaats, wanneer de scheepvaart door het ijs is belet". Omstreeks 1910 werd op het pand een verdieping gebouwd die gebruikt werd als boetzaal. Voor ƒ 4,00 per jaar konden de vissers hier hun netten herstellen. In deze ruimte werden ook de nog al eens rumoerige vissersvergaderingen gehouden.

Omstreeks 1850 was de eerste Urker ijsvlet gebouwd, een overnaads gebouwd eikenhouten schip met een lengte van 8,46 m en een breedte van 2,02 m. De vlet was van onderen voorzien van glij-ijzers en kon zowel op ijs als in water gebruikt worden. Scheepsbouw technisch kan men eigenlijk niet van een vlet spreken want deze boot heeft rechte stevens, terwijl een vlet van voren rond is gebouwd en achter een recht spiegeltje heeft. De ijsvlet was eerst voorzien van één bodem, later twee bodems, omdat hij dan beter bestand was tegen barre omstandigheden. Het varen in wateren met veel ijsgang maakte een hechte constructie noodzakelijk, zodat de boot tamelijk zwaar was uitgevallen, hetgeen voor de mannen, die de vlet over het ijs moesten voortduwen, niet bepaald een pretje is geweest. Naast de houten vlet had de Urker IJslopers Vereniging 'Hulp en Steun' ook een ijzeren ijsvlet, die 1500 kg woog. 

Als de Zuiderzee dichtgevroren was onderhield de ijsvlet de verbinding van Urk met de wal. Sedert 1853 ressorteerde Urk, wat de post betreft, niet langer onder Enkhuizen, maar onder Kampen. De postboot ‘De Geusau’ werd in de Urker geschiedenis befaam. Wanneer de winter bijzonder streng was en de postboot niet meer uit kon varen werd de ijsvlet ingezet. Met de posterijen in Kampen was afgesproken dat de post dan met de ijsvlet naar Schokland gebracht zou worden en dat de Urkers vandaar de post met hun ijsvlet moesten halen. Met de post kwamen ook andere goederen mee. Soms gebeurde het dat de Urkers zelf naar Kampen gingen om met de post ook nieuwe voorraden in te slaan. De tocht ging dan via Schokland over Ramspol naar Kampen. De ijsvlet werd ook gebruikt voor het vervoer van zieken en overledenen of voor het maken van contact met ingevroren schepen.

De ijsvlet, ook wel ijsloper genoemd, werd door een tiental mannen over het ijs getrokken, wat een enorm zwaar karwei was. Met touwen, de zogenoemde trekzelen, konden ze het schip omhoog en vooruit op het ijs trekken. Aan boord waren pikhaken om het schip over het ijs te duwen. IJszagen en ijsbijlen aan boord werden gebruikt om het ijs te breken. Tevens werden een sein, lantaarns en stakellichten meegenomen als verlichting. Voor de bemanning 's morgens vroeg uitvoer kregen ze eerst een bord erwten of bonen voor 'vastigheid' in de maag. Daarna werd gebeden voor een goede overtocht. Was men voor de avond terug dan had men ƒ 5,00 verdiend, duurde de tocht langer dan was het loon ƒ 7,50. In het kastje van de vlet bevond zich 1 liter brandewijn, 5 pond spek en een roggebrood. Voor klomplaarzen, met ijzeren punten eronder, en een verschoning voor onderweg moesten de mannen zelf zorgen. Tochten met de ijsvlet werden door de Urkers 'bloedreizen' genoemd omdat ze vaak onder barre omstandigheden gemaakt werden.

Eén van de zwaarste tochten uit de historie was in de winter van 1895. De moeilijkheden begonnen pas toen men op de terugreis op een uur afstand van het eiland was. Men raakte met de vlet op drijfijs en werd met de stroom naar het noorden gedreven omdat de ijsstroom sterker was dan de kracht van de mannen. Toen de duisternis inviel, waren ze dan ook zeer vermoeid. De mannen besloten een vast ijsveld te zoeken om daar de dag af te wachten. De vlet werd op een grote schots getrokken en omgekeerd, waarna de zeilen erover werden gespannen als beschutting tegen de wind. Met doornatte kleren moesten de mannen daaronder de nacht doorbrengen. Toen ze daar lagen werden ze opgeschrikt door een vrij hevige schok doordat een stuk ijs van de schots was gescheurd. Toen het licht werd zagen de mannen zich omringd door ijsduinen. Gelukkig bleven verdere moeilijkheden uit, zodat de ijsvlet al omstreeks negen uur op het eiland kon worden waargenomen. De achterblijvers waren zeer ongerust geweest. Ze hadden 's nachts op het hele eiland vuren ontstoken, zodat de bemanning van de vlet zich zou kunnen oriënteren.

Sinds de strenge winter van 1928-1929 was de functie van de ijsvlet iets uitgehold. Om het eiland uit zijn isolement te halen werd die winter in opdracht van de P.T.T. voor het eerst op grote schaal een vliegtuig ingezet om post op het eiland te bezorgen. Tussen 14 februari 1929 en 16 maart verzorgde de KLM 6 vluchten waarmee ook levensmiddelen en passagiers werden vervoerd. Tussentijds, als het door bijvoorbeeld drijfijs niet lukte om op Urk te landen, ging de ijsvlet als vanouds op pad. In 1935 werd er een contract met de KLM afgesloten om in tijden van nood driemaal per week vluchten tussen Schiphol en Urk uit te voeren. De laatste postvlucht werd op 31 januari 1940 uitgevoerd, in de Tweede Wereldoorlog werd niet gevlogen.

In de winter van 1946-1947 maakte de ijsvlet zijn laatste reis. Toen in 1948 de wegverbinding met de vaste wal gereed was gekomen, had de ijsvlet zijn werk gedaan. In 1950 verhuisde de ijsvlet naar het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. De vereniging Hulp en Steun werd in 1972 opgeheven. De gemeente kwam in het bezit van het pand van Hulp en Steun en besloot het zo aan te passen dat het als huisvesting kon dienen voor het Visserijmuseum. In de winter van 1977-1978 werd het gebouw gedeeltelijk afgebroken, vernieuwd en in juli 1978 als museum in gebruik genomen. Nadat het museum het pand in 1989 verlaten had heeft de Urker kunstenaar Piet Brouwer zijn werkplaats erin gevestigd. Als herinnering aan de vroegere bestemming van het gebouw heeft Brouwer een gevelsteen gemaakt die in de voorgevel is ingemetseld. Het reliëf heeft een driedimensionale voorkant en een platte achterkant. Op de figuratieve voorstelling zien we aan de onderzijde de tekst HULP EN STEUN. Daarboven is de ijsvlet met tien bemanningsleden afgebeeld tijdens één van hun bloedreizen. Je ziet dat de schipper, die achter de schuit staat, een commando geeft. Het reliëf is door Piet Brouwer geboetseerd in roodbakkende chamotte klei. Na een droogtijd is het reliëf bij ongeveer 1100° Celsius gebakken. Het reliëf is gesigneerd: P.B. '91. 'Hulp en steun' was het eerste van een serie kunstwerken van Brouwer die in de openbare ruimte van Urk geplaatst zijn. In het pand is tegenwoordig een B&B gevestigd.

In 1994 werd aan de toegang tot het oude dorp het kunstwerk 'De IJsvlet' onthuld dat eveneens door Piet Brouwer gemaakt is.

Bron: Bloedreizen in barre winters. 

Kunstenaar

Piet Brouwer werd op 21 mei 1933 op Urk geboren. Zwarte houten klompen maken deel uit van de Urker kledingdracht, maar niemand wist meer hoe die handmatig gemaakt moesten worden. Brouwer vond dat maar niks en besloot in 1976 zich aan te melden bij de toen kersverse klompenmakersschool in Enter. Hij ontwikkelde een grote voorliefde voor houtsnijden en behaalde zijn klompenmakers diploma. Pas in de begin jaren tachtig van de twintigste eeuw ontstond zijn passie voor kunst. Piet Brouwer was van 1961 tot 1992 directeur van een electrotechnisch bedrijf op Urk en combineerde in het begin deze taak met het kunstenaarsschap. Van 1985 tot 1990 studeerde Piet Brouwer aan de Vrije Academie in Nunspeet. Daar leerde hij zijn houtsnijwerken in was te maken. Ook kreeg hij onderricht in klei en brons. Brouwer werkte het liefst figuratief en haalde de inspiratie voor zijn kunstwerken onder andere uit de Urker geschiedenis. Naast beeldhouwwerken maakte hij aquarellen. Piet Brouwer was een gedreven kunstenaar.

Ter afsluiting van het 50-jarig jubileum van Piet Brouwer Electrotechniek BV op 25 november 2011 werd Piet Brouwer benoemd tot lid in de orde van Oranje Nassau. Hij kreeg het lintje door burgemeester Jaap Kroon uitgereikt voor zijn inzet voor het installatiebedrijf maar ook voor zijn inzet voor de Urker cultuur en cultuurhistorie. Van 1960 tot 1980 was Brouwer bestuurslid van DINDUA, een christelijke reciteervereniging. Ook schreef hij sketches over het Urker volksleven. Vanaf 1976 tot zijn dood was hij actief als vrijwilliger bij de Stichting Oudheidkamer Enter. In 1978 was hij medeoprichter van het Urker museum Hulp en Steun en het latere definitieve museum Het Oude Raadhuis. Daarnaast heeft hij zich ingezet voor de oprichting van de Vereniging Vrienden van Urk. Tot op hoge leeftijd was Brouwer actief als kunstenaar, alhoewel hij na een rugoperatie geen zwaar werk meer kon verrichten. Piet Brouwer overleed op 24 april 2019 op Urk. Hij was al langere tijd ziek, maar zijn overlijden kwam plotseling. Brouwer werd 85 jaar. 

Op Urk zijn in de openbare ruimte vijf kunstwerken van Piet Brouwer te vinden: 'Hulp en Steun' (1991), 'de IJsvlet' (1994), 'Meester Verstelle' (1995), 'de Vroemoer' (1998) en 'de Wachtsman' (2017). Brouwer maakte ook het beeldje 'Paalscherm om de Urker top'. Als waardering voor de inzet van de SGP voor het herstel van het palenscherm gaf hij het kunstwerk in 2014 aan die partij cadeau. Op zijn beurt schonk de SGP het kunstwerk aan de burgemeester opdat het een prominente plaats in de raadzaal zou krijgen en de hele bevolking ervan kon genieten. Op Schokland vinden we in het museum op Middelbuurt 'Ontruiming van Schokland 1859' (1994) en in de Waterstaatkerk een door Brouwer gemaakte replica van het doopvont. Ook buiten de Provincie Flevoland staan bronzen beelden van de Urker kunstenaar: in Rijssen – ‘de Stadsomroeper’ (2001) en in Enter – 'Klompenmaker' (1993), 'n Gaanzendriewer' (1997), ‘de Maaier' (2000) en 'Klompenmaker achter zijn werkbank' (2000). Voor de gemeente Dronten maakte Brouwer een relatiegeschenk, een replica van het kunstwerk 'Polderpioniers'.