Gedenkteken razzia

Gedenkteken razzia
Gedenkteken razzia Gedenkteken razzia

Plaats: Urk

Locatie: Prins Hendrikstraat

Kunstenaar:

Materiaal: zwerf kei

Jaar: 2006

Beschrijving:

Op 15 april 2006 is aan de Schoolstraat een gedenkteken onthuld. De plaquette herinnert aan de razzia op 18 november 1944. De Noordoostelijke Polder, zoals de Noordoostpolder toen genoemd werd, viel in september 1942 droog, waarna onmiddellijk werd gestart met het ontginnen en in cultuur brengen van de 48.000 hectare landbouwgrond. De Duitsers gaven de Directie Wieringenmeer afdeling Noordoostpolderwerken toestemming om jonge mannen te werven voor het vele werk in de polder. De arbeiders die de polder cultuurrijp maakten, waren vrijgesteld van dwangarbeid in Duitsland. De Noordoostelijke Polder (NOP) stond in de Tweede Wereldoorlog synoniem voor Nederlands Onderduikers Paradijs. Hoewel de Duitsers op de hoogte waren van het feit dat daarom grote aantallen onderduikers hun toevlucht in de polder zochten, hebben zij de Noordoostelijke Polder lange tijd ongemoeid gelaten. Het verzet kreeg hun wapens door middel van droppings uit geallieerde vliegtuigen. De nogal ontoegankelijke Noordoostelijke Polder was ideaal voor wappendroppings. Met de eerste dropping op 25 oktober 1944 kwam verpakt in containers, tussen Emmeloord en Espel, een grote hoeveelheid voedingsmiddelen, wapens en munitie naar beneden. Op 16 november 1944 kwam het ten noorden van Schokland tot een tweede dropping. Zodra de Duitsers ontdekten dat in de polder wapens werden gedropt, was de maat vol.

Onder leiding van de Hohere S.S. und Polizeiführer Hanns Rauter, die zijn hoofdkantoor in Hotel Seidel in Vollenhove had gevestigd, werd in de vroege ochtend van 17 november 1944 de polder door ruim 3.000 militairen hermetisch afgesloten. Drie dagen lang werd het gebied uitgekamd op arbeidsgeschikte mannen. Op 18 november kwam, vanaf de Lemmerdijk, de Duitse Wehrmacht met geladen karabijnen en handgranaten in hun laarzen Urk binnengelopen. De dorpsomroeper verspreidde het bericht dat alle mannen van 18 tot 45 jaar zich moesten melden in de Wilhelminaschool. Ongeveer 85 Urkers, waaronder de hervormde dominee Arie Pietersma en de gereformeerde dominee Geert Spijker, werden door de Duitsers met Waffenboote naar Vollenhove afgevoerd en vervolgens ging het lopend naar Meppel. Vandaar werd de groep per trein naar de Noord-Duitse stad Oldenburg getransporteerd. Daar werden de Urkers gedwongen dienst te nemen in het Duitse leger en werden ze opgeleid tot frontsoldaat. Als ze zouden weigeren werden ze 'erschossen' (doodgeschoten) deelde een brallende Duitse officier aan hen mee. De beide predikanten wensten de Duitsers niet als militair te gebruiken, zij werden naar huis teruggestuurd. Het is er niet van gekomen dat de Urkers daadwerkelijk als frontsoldaat zijn ingezet. De hele groep heeft de oorlog overleefd en druppelsgewijs wist iedereen op de Bult terug te keren. Sjoerd Snoek (1923-2017) en Leendert Brouwer behoorde tot de groep die naar Duitsland is afgevoerd. Op de plek waar de Wilhaminaschool tot de sloop in 1987 stond kwam op hun initiatief een monument.

Het monument bestaat uit een zwerfkei met daarop een zwarte gedenksteen. Het gedenkteken is geplaatst op een voetstuk van gemetselde keitjes. Bovenin de steen is de voorgevel van de Wilhelminaschool gegraveerd. De school, gebouwd in 1932 naar ontwerp van Cornelis Kruyswijk, bestond uit twee lage armen en een middenpartij met een boogvormige entree. De middenpartij stak naar voren en had boven de entree vijf lange verticale glas-in-loodramen. Onder het schoolgebouw staat de tekst:

TER HERINNERING
TIJDENS DE RAZZIA OP 18 NOVEMBRR 1944
WORDEN MEER DAN TACHTIG PLAATSGENOTEN
OPGEPAKT EN VANAF DEZE PLEK (VOORHEEN
DE WILHELMINASCHOOL) WEGGEVOERD.
ZIJ MOCHTEN NA DE OORLOG ALLEN BEHOUDEN
TERUGKEREN.

ONTHULD OP 15 APRIL 2006

Onderaan de gedenksteen, aan weerszijde van de tekst, zijn links het wapen van Urk en rechts het wapen van de stad Oldenburg gegraveerd.

In het Reformatorisch Dagblad van 14 mei 2005 vertelde de dan 81-jarige Leendert Brouwer zijn verhaal: "Het begon allemaal met de razzia van 18 en 19 november 1944. Er hing een beklemmende sfeer in Urk. Er was die zaterdagmiddag bijna niemand op straat, behalve veel Duitse soldaten. Wat eraan schortte, werd duidelijk toen de omroeper door het dorp ging. Alle mannen tussen de 18 en de 50 jaar moeten zich melden in de Wilhelminaschool. Wie dat niet doet, wordt doodgeschoten. Dat was de boodschap. Massaal onderduiken lukte niet meer. Huis aan huis controleerden de soldaten op verborgen schuilplaatsen. Per boot gingen we op transport naar Vollenhove. Daar ging juist de kerk uit toen wij aankwamen. 'Wat doen jelui hier'? vroeg een oude bekende van ons. Daarna moesten we in de stromende regen naar Meppel lopen en zijn we per trein naar Haren gegaan". Daar zat Brouwer zes weken in een school. Al na drie weken kregen hij en zijn kameraden te maken met een luizenplaag. "We deden een wedstrijd wie de meeste luizen ving." Naderhand ging het in dichte treinwagons naar Oldenburg. Op een kazerne kregen de mannen Duitse uniformen. Die moesten ze dragen. "We wisten niet goed wat we ermee aan moesten. Predikanten adviseerden ons om het toch maar te doen. Niemand heeft iets aan een dode Urker. Maar de verplichte Hitlergroet? Dat ging ons te ver. In plaats van 'Heil Hitler' riepen wij 'Drei Liter'. Toen ze ons daarop aanspraken, verklaarden wij dat we het niet goed konden uitspreken. Dat namen ze."

Zie ook: Urk in oorlogstijd.

Laatste Update zaterdag, 16 september 2017