Hoogwaterstenen 1916 en 1825

Hoogwaterstenen 1916 en 1825
Hoogwaterstenen 1916 en 1825 Hoogwaterstenen 1916 en 1825 Hoogwaterstenen 1916 en 1825 Hoogwaterstenen 1916 en 1825

Plaats: Schokland

Locatie: Middelbuurt en Oud Emmeloord

Maker: Rijkswaterstaat

materiaal: hardsteen

Jaar: 1916


Beschrijving:

Op 13 en 14 januari 1916 voltrok zich een watersnood rond de Zuiderzee. Een aanhoudende noordwestenwind had het water van de Noordzee de Zuiderzee ingestuwd waardoor de waterstand al 30-70 cm hoger was dan normaal. Door een stormvloed, die samenviel met een hoge afvoer op de rivieren, kwam het water op Schokland tot 2,70 m boven NAP. Het NAP is in de 17e eeuw ontstaan. In die tijd kwamen vaak overstromingen voor. Men wilde de stad Amsterdam beter beschermen tegen de zee en begon tussen september 1683 en september 1684 met het meten van de dagelijkse hoogste waterstanden in het IJ, dat in open verbinding stond met de Zuiderzee. De daaruit voortvloeiende gemiddelde hoogste vloedstand werd aangenomen als het 'STADSPEYL' oftewel het Amsterdams Peil, afgekort AP. Dit peil werd vastgesteld op '9 voet, 5 duym (2,67 m) beneden de Zeedijkse Hoogte' die was aangegeven door middel van een groef in marmeren merkstenen die in opdracht van de toenmalige burgemeester Johannes Hudde op 8 plaatsen in Amsterdam werden aangebracht. Bij Koninklijk Besluit van 18 februari 1818 werd het AP nulpunt tot landelijke norm verklaard. Toen de meetmethoden nauwkeuriger werden werd heel Nederland opnieuw opgemeten. Om verwarring te voorkomen werden de nieuwe metingen sinds 1875 uitgedrukt in Normaal Amsterdams Peil (NAP). Het nulniveau van het AP is gelijk aan het nulniveau van het NAP.

Door de hoge waterstand in de nacht van 13 op 14 januari was er op de zuidpunt van Schokland een levensbedreigende situatie ontstaan. Met angst en beven zag het gezin van lichtwachter Pieter Verschoor hoe de golven in korte tijd de peilschaal kopje onder deden gaan. Al spoedig stonden de vuurtoren en de woning midden in het water, dat even later de bijkeuken instroomden. Op de woonterp Emmeloord sloegen de golven over de noordelijke havendam, die 3,60 boven NAP lag, en werd een deel van de schutting voor de lichtwachterswoning weggeslagen. Het westelijk deel van Emmeloord was vrijwel geheel overspoeld door het zeewater. Rijkswaterstaat was daar mede verantwoordelijk voor. Via stroomgaten kreeg de zee toegang tot het land. Rijkswaterstaat hoopte daarmee te bereiken dat er bij eb een vruchtbaar laagje slib zou achterblijven. Emmeloord verloor echter volledig haar achterland. Harm Smit vertelde later dat het ondiepe gebied zeer in trek was bij de paling en …..... bij hem. 
 
Het rapport dat Rijkswaterstaat in september 1916 over de stormvloed publiceerde gaf de top in de waterstand weer in NAP: 2,70 m + NAP. Deze stand werd vastgelegd door de zelfregistrerende peilschaal die in 1876 bij de Zuidpunt geplaatst was. Ter herinnering aan de stormramp bracht Rijkswaterstaat rechts in de plint van de zuidelijke muur van de lichtwachterswoning een hardstenen hoogwatersteen aan waarin de datum 14 januari 1916 en de waterstand 2,90 m + AP gebeiteld is. Waarom op de gevelsteen niet het NAP niveau is vermeld, maar het in 1875 afgeschafte AP niveau, is onduidelijk. Ook in de muur van de pastorie van  de Waterstaatkerk op Middelbuurt memoreert een hoogwatersteen aan de overstroming op 14 januari 1916. Hierop staat echter 3,05 m + AP aangegeven. Het lijkt erop dat op Middelbuurt een verouderde, niet geijkte, peilschaal heeft gestaan. De waarden die bij het AP niveau staan blijken op Schokland steeds weer 20 cm hoger te zijn dan dezelfde waterstanden die gerelateerd zijn aan het NAP niveau. Bron: Schoklanddoordeeeuwenheen.nl 
 
Twee andere hoogwaterstenen in de zuidelijke muur van de Waterstaatkerk herinneren aan de stormvloed van 1825. Het najaar van 1824 was voor Nederland een zeer natte herfst. De waterstanden in de Zuiderzee waren extreem hoog. Op 3, 4 en 5 februari 1825 woedde er een uitzonderlijk langdurige storm, eerst uit het westen, later uit het noordwesten. Deze storm viel samen met springtij, het zeewater rees tot een hoogte van 10,5 voet. Van de relatief nieuwe stenen westdijk werd 2 km weggeslagen en 1800 palen in het oosten van het eiland sloegen weg, die grote schade aanrichtten aan het vaste land van Overijssel. De storm vernielde de houten Enser kerk uit 1717 en 26 woningen, 70 huizen raakte zwaar beschadigd en 13 mensen, waaronder 8 kinderen, vonden de dood. Uit de rooms-katholieke kerk van Emmeloord spoelde het altaar weg en een groot deel van de vissersvloot verdween in de golven. Het water steeg op Schokland tot 3,38 m boven AP.  De hoogwatersteen in de muur van de kerk vermeldt 4,12 m boven AP, een verschil van 0,74 m. Op de steen in de muur van de pastorie staat: VIER ELLEN BOVEN DAGELIJKS WATER. Een el is een oude lengtemaat en was in Nederland in 1725 vastgesteld op 69,4 cm. Vier ellen boven dagelijks water betekent 4 x 69,4 = ca. 278 cm boven dagelijks water.

De stormvloed van 1916 was cruciaal in de besluitvorming voor het indammen van de invloed van de Zuiderzee. Plannen voor afsluiting waren al enkele eeuwen daarvoor gemaakt, maar toentertijd was de technologie ontoereikend. Daar kwam in de tweede helft van de 19e eeuw verandering in. In 1886 werd de Zuiderzeevereniging opgericht die de ambitie had om de Zuiderzee geheel of gedeeltelijk in te polderen. Het doel van de Zuiderzeevereniging werd in 1918 bereikt toen de Zuiderzeewet op 14 juni in het Staatsblad werd afgekondigd.

Laatste Update dinsdag, 19 juni 2018