Groninger tjalk NB6

Groninger tjalk NB6

Plaats: Rutten

Locatie: kavel NB6

Maker:

materiaal: hout

Jaar: 18e eeuw


Beschrijving:

Schippers bepaalde hun route op de Zuiderzee op zichtbare herkenningspunten zoals kapen op de eilanden, bakens op de randen van zandbanken en tonnen langs de vaargeul. Om ook 's nachts te kunnen varen werden er vuurbakens aangelegd. Amsterdam had halverwege de 16e eeuw het alleenrecht over de bebakening van de Zuiderzee. Harlingen en andere Friese havensteden waren het hier niet mee eens en kwamen in opstand. Omstreeks 1559 mocht Harlingen de bebakening van de Jetting, het vaarwater van Harlingen naar de Vlie, voor zijn rekening nemen en in 1713 kwam daar het Amelander gat bij. Harlingen sloot vervolgens een overeenkomst met de Armenkamer. De opbrengst kwam ten goede aan de armen, die als tegenprestatie in de avond en nacht het vuur brandend moesten houden. In 1573 raakte Amsterdam echter de rechten op de paalgelden weer kwijt. De watergeuzen bevochten de macht over de Zuiderzee, maar Amsterdam hield zich afzijdig van de Opstand. De Prins van Oranje, als stadhouder van de Koning van Spanje, verleende het hem trouwe Enkhuizen het recht de waterwegen te markeren en in ruil daarvoor het paalgeld te innen.

Al in 1617 werd op Urk een kolenvuur ontstoken ter beveiliging van de vitale scheepvaartwegen naar Amsterdam en het achterland. In 1699 besloten de Staten van Holland en West-Friesland om 3 vuurtorens langs de Zuiderzee te bouwen op Marken, bij Enkhuizen (De Ven) en IJdoorn (Durgerdam). Alle schepen die op de Zuiderzee voeren moesten belasting betalen voor het onderhoud. Als bewijs van betaling ontvingen de schippers een ‘bakenloodje’, met een afbeelding van de ‘Suyderzeese Vuur Bakens’. De middelste toren is De Ven, met een lantaarn. De andere twee torens hebben een kolenvuur. Zo was het de bedoeling in 1700, maar om kosten te sparen heeft ook Durgerdam vanaf het begin een lantaarn gekregen. Het ontwerp voor de bakenloodjes was echter al gemaakt voordat de torens voltooid waren en is nooit meer veranderd.

In augustus 1955 werd ten westen van Rutten op kavel NB6 het wrak van een tjalkachtig vrachtschip opgegraven dat geladen was met plavuizen en dakpannen. De inventaris van het schip toont informatie over de thuishaven. De tinmerken op bijvoorbeeld een schaal, de pispot en lepels verwijzen naar makers in Groningen. Ook de aanwezigheid van aardewerk dat alleen in de provincie Groningen verkrijgbaar was wijst in die richting. Aan boord van het schip zijn een 1,46 m lang vuursteenmusket, 193 kogels, kruit, vuurstenen en 2 sabels gevonden. De vondst van de wapens maken het zeer waarschijnlijk dat een groep soldaten meereisden op het schip. Om de kolf van de musket bevond zich een plaatje met C.I.M. Graham en aan de bovenzijde van de houten kolf stond op een rond plaatje Gordon No. 8. Vanaf het begin van de Tachtigjarige oorlog (1568) tot het eind van de 18e eeuw bestond een aanzienlijk deel van het Staatse leger, het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden, uit huurlingenregimenten. De Schotse Brigade was een Nederlands legeronderdeel uit de 17e - en 18e eeuw, dat gevormd werd door drie Schotse regimenten die van Groot-Brittannië waren gehuurd. Hoewel de regimenten officieel een nummer/naam droegen, werd dit alleen gebruikt op hun wapens en uitrusting. Op 24 augustus 1772 had Zijne Hoogheid voor alle regimenten, zowel nationale, als Schotten, Zwitsers, Walen en Duitsers, nummers vastgesteld die zij op hun geweren moesten aanbrengen. De regimenten waren echter beter bekend onder de naam van hun commandant (kolonel). Onderzoek heeft uitgewezen dat Captain Mungo Graham als huurling diende bij het regiment Schotten 3 dat van 1787 - 1789 in Muiden, Nieuwersluis (1e Bat.) en Hoorn (2e Bat.) gelegerd was.

Bij de opgraving zijn ook een groot aantal bakenloodjes tevoorschijn gekomen waaronder vier loodjes met het opschrift 'Suyderzeese Vuur Bakens' uit de jaren 1784 - 1787, die allemaal voorzien zijn van een klop. Een bakenloodje met het wapen van Muiden wijst er op dat de lading langs de Vecht of Oude Rijn is ingenomen. Verder werd er een rond loodje gevonden, voorzien van het wapen van Harlingen, de letters CZ-HM en het jaartal 1786 en twee driehoekige loodjes waarop eveneens het wapen van Harlingen staat met daarnaast de letters A en K (Armenkamer) en de jaartallen 1784 en 1786. Het formaat en de vorm van de Harlinger loodjes duidden op de hoogte van de belasting die de schipper moest betalen. De hoogte van de belasting verschilden per scheepstype en de hoeveelheid last die het schip kon dragen. Aan de hand van de loodjes kon geconcludeerd worden dat het ging om een binnenschip van de grootste categorie waarvoor het Klein Bakengeld in het Amelander gat en de Jetting zijn betaald. De aanwezigheid van de vondsten maakt duidelijk dat de schipper in de jaren 1784 - 1787 regelmatig op Amsterdam en Harlingen voer. Op basis van de loodjes werd ook vastgesteld dat de ondergang in 1787 heeft plaats gevonden.

Zie ook: Vergane schepen en wikipedia

Bron: Mundvondsten in Scheepswrakken en Vuurtorens, Lichtschepen en kapen, Nautisch erfgoed van Nederland.

Laatste Update woensdag, 08 maart 2017