Kogge NM107

Kogge NM107

Plaats: Emmeloord

Locatie: Marknesserweg 13

Maker:

materiaal: eikenhout

Jaar: 15e eeuw


Beschrijving:

In Noordoostpolder zijn zo'n 180 scheepswrakken opgegraven. Het eerste scheepswrak dat in de bodem van de Noordoostpolder gevonden is, was van een middeleeuwse kogge. Arbeiders die bezig waren met het graven van greppels voor het drainagestelsel vonden het wrak tijdens de Tweede Wereldoorlog in februari 1944 ten zuiden van Kuinre en ten oosten van Blokzijl op kavel NM107. Pieter Jan Remees Modderman, als archeoloog verbonden aan het toenmalige Biologisch-Archeologisch Instituut in Groningen, tegenwoordig de Rijksuniversiteit, kreeg van de regering in ballingschap opdracht het wrak op te graven. Het oudheidkundig bodemonderzoek werd volgens de kwadrantmethode verricht, wat zeggen wil dat zowel verticale als horizontale gleuven gegraven werden.

Het schip had een scherp voor- en achterschip, typerend voor de schepen die voor 1600 gebouwd zijn. De kogge had een lengte van 15,70 m, was ongeveer 4,50 m breed en met een laadvermogen van 20 ton en behoorde tot de categorie kleine koggen. Deze schepen waren bestemd voor lokaal transport op de Zuiderzee en hadden hun thuishaven daar of in de steden langs de rivieren die in de Zuiderzee uitmonden. De kogge was geladen met kloostermoppen van 28 x 13 x 6,5 cm groot. De 5000 bakstenen, die ongeveer 4 kilo per stuk wogen, lagen midscheeps. Daarnaast werd in het schip een laagje schelpen aangetroffen die niet in de Zuiderzee thuis hoorden. De vindplaats van de kogge, in combinatie met de lading suggereert dat met het schip handel over langere afstand werd gevoerd. In het achterschip werden enkele gebruiksvoorwerpen gevonden, zoals een ijzeren bijl, een ijzeren vuurtang, een steengoed kruik, twee bronzen Spaanse potten, een roodkoperen pan en een fragment van het bovenleer van een schoen.

Het eikenhouten koggeschip is rond 1450 gezonken. Uit bestudering van het bodemprofiel kon worden vastgesteld dat de verstoringen die het schip in de bodem teweeg had gebracht eindigde in de sloefafzetting (Almere-afzetting), Dit betekende dat de Zuiderzee ten tijde van de ondergang nog niet zout was. In de Noordoostpolder valt het einde van de afzetting van de sloef, sediment afgezet in zoet tot brak milieu, in het begin van de 17e eeuw. Daarnaast is de datering van de ondergang aan de hand van de gevonden gebruiksvoorwerpen vastgesteld.

Bron: Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed

Omdat in 1944 geen lijnolie verkrijgbaar was om het hout te kunnen conserveren is het schip ingepakt en naast de vindplaats op een dieper niveau, onder de grondwaterspiegel, herbegraven. Van 11 tot 23 augustus 2008 is het vaartuig voor een tweede keer onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat de kieren tussen de huidplanken waterdicht gemaakt waren door er mos tussen te stoppen. Verder blijkt uit dendrochronologisch onderzoek dat het scheepshout omstreeks 1339 in het noordelijk kustgebied was gekapt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is het wrak, dat bekend staat als het zogenaamde 'Moddermanschip', zo goed ingepakt dat het schip in een dusdanige conditie verkeerde dat het in situ bewaard kan blijven.

Zie ook: het Geheugen van Nederland en canonnoordoostpolder

Laatste Update woensdag, 09 december 2015