Nederlands hervormde kerk

Nederlands hervormde kerk

Plaats: Nagele

Locatie: Ring 7

Maker: Wouter van der Kuilen

materiaal: beton, baksteen glas, hout

Jaar: 1959-1960


Beschrijving:

De Nederlands hervormde kerk is in 1959-1960 gebouwd onder architectuur van Wouter van der Kuilen. De opvallende zaalkerk met verspringende wanden en de toepassing van rechthoeken en vierkanten is een voorbeeld van het Nieuwe Bouwen. De kerkzaal, met bijna vierkante plattegrond, is de hoogste bouwmassa. De noordelijke buitenmuur is niet recht. Hier zijn de uitspringende nissen van het liturgisch gedeelte duidelijk zichtbaar. Links naast de kerkzaal is een laag bouwdeel met de ingang, hal en vergaderzalen. De gevels van het gebouw zijn van blonde handvormsteen. De platte daken zijn gedekt met ruberoid. De ingang wordt gemarkeerd door een 16 m hoge campanile. De vrijstaande klokkentoren bestaat uit twee betonnen kolommen met verbindingsbanden en is later wit geschilderd. Bovenin hangt een luidklok. De achtergevel wordt gesierd door een betonnen Petruskruis, een omgekeerd Latijnskruis. Volgens de overlevering wilde de apostel Petrus ondersteboven gekruisigd worden omdat hij zich onwaardig voelde om op dezelfde manier te sterven als Jezus.

Het interieur van de kerk was begin jaren zestig van de vorige eeuw vernieuwend. Vanaf de jaren vijftig kreeg de verkondiging (het woord), het avondmaal (sacrement) en de doop (sacrament) een centrale plaats binnen de ruimte. Om de drie-eenheid van de kansel, avondmaalstafel en het doopvont te benadrukken werd het liturgische centrum op een verhoogd gedeelte in de ruimte geplaatst. In deze kerk was het deel van de zaal waar de kerkbanken stonden iets verlaagd tenopzichte van de omloop, terwijl het de gewoonte was dat alleen het liturgisch centrum verhoogd was. De kerkzaal was zo ingericht dat alle aandacht uitging naar de achterwand waar de liturgische handelingen plaats vonden. De nieuwe liturgie vereiste wijde ruimtes zonder veel franje en in plaats van architecturale structuur kreeg licht een bepalende rol om te zorgen voor een mystieke, religieuze sfeer in de kerkruimte. De hoek met het doopvont kreeg een bijzonder lichtaccent door twee horizontale glasstroken die vlak boven de vloer waren aangebracht. Maar de sfeer werd vooral bepaald door drie kleurige glasappliqué ramen die ontworpen waren door Berend Hendriks. De kunstenaar kreeg de opdracht om in de ramen motieven aan te brengen die verband hielden met de drooglegging van de Noordoostpolder. Het raam hoog in de aandachtswand achter het liturgische centrum was 1,75 x 1,75 meter groot en liet een zwart schip op blauwe golven zien. Een afbeelding van de Ark van Noach, het schip van het geloof en het behoud op de golven, die tegelijk herinnerde aan de golven die eens spoelden boven het nieuwe land. De linkerwand had onderin een glasstrook van 0,70 m hoog en 11,10 m lang dat de Exodus oftewel de uittocht uit Egypte en de doortocht door de Rode Zee (Exodus 13 en 14) verbeeldde. De muur bij de ingang bevatte een groot vierkant raam van 3,15 x 3,15 m waar naast de opgaande zon en de wolkenkolom die zich bewoog in de richting van het reisdoel, ook de vuurkolom was weergegeven die het volk Israël 's nachts de weg wees door de woestijn en hen naast licht ook warmte gaf. Hendriks gebruikte sterk geabstraheerde vormen om het verhaal te vertellen. Daarnaast heeft hij kleur zodanig ingezet dat het de juiste sfeer teweegbracht. Niet te licht en niet te donker, laag over laag zoals bij glasappliqué mogelijk is.

Vanwege het Samen op Weg-proces gingen hervormden en gereformeerden in 1998 samen kerken in de gereformeerde kerk. Op 1 mei 2004 fuseerden beide gemeenten tot de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Het raam dat in de noorgevel zat werd gedemonteerd en gerestaureerd. De hervormden namen het raam met de beeltenis van de ark van Noach mee en hingen het in de gereformeerde kerk in het liturgisch centrum boven de avondmaalstafel. Omdat de twee nog aanwezige glasappliqué ramen in slechte conditie waren zijn ze in 2010 vervangen door nieuwe ramen. Door verkleuring was de lijm waarmee de versieringen op het glas waren verlijmd niet meer doorzichtig. Bovendien waren de ramen door vandalisme en inbraak niet meer compleet. Daarnaast was de technische staat van de stalen kozijnen slecht. Daarom vond men de ramen niet meer representatief en zijn ze vernietigd.

Sinds 1998 wordt de voormalige hervormde kerk gebruikt door de Noorse Broedergemeente waarvan de Nederlandse afdeling aangeduid wordt als Christelijke Gemeente Nederland.

Architect

Architect Wouter van der Kuilen (1932-2003) is een aanhanger van het Nieuwe Bouwen. Verspringende wanden en de toepassing van rechthoeken en vierkanten zijn typerend voor deze stroming. Kenmerkend voor de ontwerpstijl van Van der Kuilen zijn in elkaar geschoven kubistische volumes voorzien van platte daken met forse dakrand. Van der Kuilen heeft veel hervormde kerken ontworpen, onder andere in Nagele (1960), het Open Hof in Dronten (1965) en de Voorhof in Emmen (1965).

Architect Wouter van der Kuilen maakte van 1954 tot 1961 deel uit van een architectenbureau in de vorm van een maatschap, die in 1945 was opgericht door de architecten Christiaan H. Nielsen en Joop Spruit. Het werk van architectenbureau Nielsen, Spruit en van der Kuilen bestond voornamelijk uit kerkbouw en woningbouwcomplexen. Interessant is dat hij samen met Nielsen en Spruit geen hervormde maar gereformeerde kerken ontwierp o.a in Amsterdam (1955), Bussum (1956), Heemstede (1957) en Leiden (1961) en de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt, De Rank, in Emmeloord (1959) en in Nagele (1961). Architectenbureau Nielsen, Spruit en van der Kuilen was betrokken bij de uitvoering van het stedenbouwkundigplan van Hoorn-Noord. Het schoolgebouw van de voormalige ULO en de maisonette woningen aan de Liornestraat waren van de hand van Van der Kuilen.

Kunstenaar

Berend Hendriks is op 9 juli 1918 in Apeldoorn geboren. Hendriks was zoon van een boomkweker en moest net als zijn vader boomkweker worden. Hij volgde de tuinbouwschool in Boskoop, maar koos uiteindelijk voor een loopbaan in de beeldende kunst. Hij volgde een opleiding aan de Rijksnormaalschool voor tekenleraar in Amsterdam. Aanvankelijk werkte hij als schilder, maar nadat hij onder invloed kwam van het constructivisme legde hij zich toe op monumentaal werk. Tijdens de oorlogsjaren werd hij opgeleid tot monumentaal kunstenaar aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, waar hij les kreeg van proffessor Heinrich Campendonk. Dat was in die periode de afdeling die zich richtte op de inbreng van kunst in gebouwen. Na zijn opleiding ontwikkelde hij zich tot een veelzijdig kunstenaar. Hendriks behoorde tot de figuratief werkende Realisten die traditionele decoratieve toevoegingen maakten. Later werd zijn werk abstracter en expressionistischer. Na de oorlog zag Hendriks het als een taak van de monumentaal werkende kunstenaar om uitdrukking te geven aan de idealen van het samengaan van architectuur met de dienstbaarheid aan de samenleving. In de periode 1949 – 1965 voerde hij meer dan honderd monumentale opdrachten uit in verschillende technieken. Zijn specialiteiten waren: glas-in-lood, glas-in-beton, glasappliqué, glas- en baksteenmozaieken, wandschilderingen, mozaïeken, sgraffito’s, linoleumintarsia’s, wandkleden en sculpturen in beton en metaal. In de jaren vijftig was Hendriks één van de weinige kunstenaars, misschien wel de enige, die zich bezighield met glas in betonramen. Glas-in-loodramen, glas-in-betonramen en glasappliqué ramen maakten de helft van het monumentale werk uit. In de bloeitijd had  Hendriks in zijn eigen atelier vijf medewerkers in dienst die hielpen de werken uit te voeren. Bij veel bouwopdrachten o.a. van het architectenbureau Nielsen, Spruit en Van der Wielen, werd hij als kunstenaar betrokken. 

Begin jaren zestig begon Berend Hendriks teleurgesteld te raken over de resultaten van de samenwerking tussen beeldend kunstenaars en architecten. Bij het tienjarige bestaan van de Vereniging van Beoefenaars der Monumentale Kunsten in 1962 constateerde hij: "Tien jaren na de oprichting doet het vele dat tot stand is gekomen, en ook wat niet bereikt is, ons beseffen dat van het aanvankelijke idealisme van het begin niet veel is overgebleven. De idealen van vorige generaties zijn niet meer de onze". De tijdgeest veranderde, de ontkerkelijking zette zich in en de wederopbouw was geleidelijk aan voltooid. Hendriks hief zijn atelier voor monumentale kunst op en verbond zich van 1965 tot 1983 als docent monumentale vormgeving aan de kunstacademie in Arnhem. Samen met collega docent Peter Struycken ontwikkelde hij een nieuwe visie op kunst voor de openbare ruimte. Hun omgevingsvormgeving werd een nieuw specialisme, dat landelijk ingang vond. Hendriks en Struycken beoogden een functionele samenhang tussen kunsttoepassing en gebouw of omgeving. Kunst moest niet alleen verfraaien, maar vooral een bijdrage leveren aan de leefbaarheid van de plek. Daarbij moest rekening gehouden worden met de functie van de ruimte en de belevingswereld van de gebruiker. Tijdens zijn docentschap vond Hendriks hernieuwde inspiratie als kunstenaar, waarbij hij veelvuldig terugviel op oud testamentische thema’s. Vooral het gevecht van Jacob met de engel intrigeerde hem. Het is een regelmatig weerkerend thema in zijn werk, teruggebracht tot de abstracte vormen van het constructivisme. Zowel in zijn monumentale werken als in series autonome werken onderzocht hij de werking die kleurpatronen, geometrische vormen, ritmes en bewegingen op elkaar hebben.

In de Noordoostpolder heeft Berend Hendriks ramen ontworpen voor de Nederlands Hervomde kerk in Ens (1952), voor het Protestants Kerkcentrum in Kraggenburg (1954), voor de Hervormde kerken in Luttelgeest, Creil (1956/57) en Nagele (1959/60) en wandschilderingen in- en een reliëf aan het voormalige postkantoor in Emmeloord (1952-1954). In Ens is ook een baksteenmozaïek van zijn hand (1952). In Almere staat het autonome kunstwerk 'De Kus' uit 1984.

Hendriks overleed op 79-jarige leeftijd op 6 augustus 1997 in Arnhem. 

Laatste Update zaterdag, 24 juni 2017