Inlaatduiker Waterloopkundig Laboratorium

Inlaatduiker Waterloopkundig Laboratorium

Plaats: Marknesse

Locatie: Repelweg

Maker: Dienst der Zuiderzeewerken

materiaal: diverse materialen

Jaar: 1958


Beschrijving:

Toen in 1942 de Noordoostpolder droogviel moest 48.000 ha grond een bestemming krijgen. Het ingepolderde land diende zoveel mogelijk voor landbouwkundig gebruik te worden ingericht, 2.100 ha was ongeschikt voor landbouw en kreeg een bosbestemming. Op zandgronden, veenafzettingen en keileem werden boscomplexen aangelegd, het Kuinderbos, het Voorsterbos, het Urkerbos en het Schokkerbos.

Rond 1950 was het Waterloopkundig Laboratorium, dat gevestigd was in Delft, op zoek naar een terrein voor grote openluchtschaalmodellen. Het waterloopkundig Laboratorium onderzocht 16 locaties in Nederland. De omgeving waar de modelproeven plaatsvonden, moest wel aan een aantal eisen voldoen. Om de invloed van wind op de experimenten in de buitenlucht zo klein mogelijk te maken was de beschutting van een bos gewenst. De locatie in de Noordoostpolder voldeed aan alle eisen. De Voorst is een uitspringende punt in de oude kustlijn van de kop van Overijssel, waar tijdens het Saalien, de voorlaatste ijstijd, een eindmorene van een gletsjer lag. De druk van het ijs heeft de bodem zodanig sterk samengeperst dat modellen langdurig in stand konden worden gehouden zonder gevaar op bodemverzakking.

Een andere redenen om voor het Voorsterbos te kiezen was de mogelijkheid water onder natuurlijk verval door de modellen te laten stromen. Het Voorsterbos ligt 0,70 tot 2,40 meter onder NAP. De hoogste delen liggen in het oostelijke deel, naar het westen toe neemt de hoogte af. Uit het hoger liggende Vollenhover Kanaal kon water aangevoerd worden. Speciaal voor het Waterloopkundig Laboratorium werd in 1958, aan de kant van het Vollenhover Kanaal, een inlaatduiker gebouwd die opengezet werd om water in de naastliggende regelvijver in te laten. De capaciteit bedroeg, onder normale omstandigheden, 15 m³ per seconde. Vanuit de regelvijver, waarin de waterstand automatisch op peil werd gehouden, voerden met betonnen stoeptegels betegelde aanvoersloten het water naar de modellen. Onder de Repelweg werd een duiker aangelegd.

Tussen de regelvijver en het terrein met de modellen bestond een licht verval, zodat het water als vanzelf naar de proefopstellingen stroomde. Schuiven, stuwen en roosters regelde de watercapaciteit. Via een Romijnstuw kwam het water in het proefmodel en verliet het model weer via een klepstuw en afvoersloot. In de structuur van de proefopstellingen is de verkaveling van de Noordoostpolder, met landbouwkavels van 800 x 300 m, terug te vinden. Als afvoersloten werden de Veensloot, de Zandsloot, de Elzensloot en de Wilgensloot gebruikt, de bestaande kavelsloten die om de 300 m in het bos liggen. Via deze kavelsloten, die voor dit doel ook betegeld zijn, werd het water op de Zwolse Vaart geloosd, die ten zuiden van het bos loopt. Tenslotte pompte gemaal Smeenge het overtollige water weer terug in het Vollenhover Kanaal. Hierbij moest een hoogteverschil van 4,50 m overbrugd worden. Bron: Het Zuiderzeeproject; Flevolands industrieel erfgoed.

Dit deel van het Voorsterbos is tegenwoordig bekend onder de naam Waterloopbos.

Laatste Update dinsdag, 20 december 2016