Prehistrorische visweren

Prehistrorische visweren

Plaats: Emmeloord

Locatie: Hannie Schaftweg, De Gilden

Maker: jager-verzamelaars

materiaal: hout

Jaar: 3300-1700 v. Chr.


Beschrijving:

Wie via de A6 de Noordoostpolder doorkruist, waant zich in een landschap zonder verleden. Maar onder het vlakke land gaat een oeroud landschap schuil. In de prehistorie was het Noordoostpoldergebied een uitgestrekte moerasdelta (lagune) met getijdenwerking. De oer-Vecht stroomde hier via de delta uit in zee. Gedurende het laat paleolithicum (oude steentijd), mesolithicum (middensteentijd) en het begin van het neolithicum (nieuwe steentijd) werd het gebied bewoond door jager-verzamelaars. Ten zuiden van Emmeloord werd in de jaren 1950 op kavels NJ97 en NJ98 een karterend onderzoek uitgevoerd dat een geulenstelsel en oeverwallen aan het licht bracht. In de daaropvolgende jaren zijn er verschillende onderzoeken uitgevoerd waarbij de tot nu toe grootste prehistorische visweer van Europa werd aangetroffen. 
 
Archeologen vonden sporen van visweren van 50 meter lang, met ca. 120 in de klei gedreven palen en weren van 40 meter lengte met 30 palen, plus de nodige stutpalen. In totaal zijn er 10 verschillende palenzwermen en restanten van 48 fuiken gevonden. Drie tenen fuiken zijn in z'n geheel gelicht, waarvan er één zich bevindt in Museum Schokland. De visweren zijn te dateren tussen ca. 3300 - 1700 v. Chr., vanaf de Swifterbantperiode tot aan het begin van de midden bronstijd. De dateringen van de fuiken valt tussen ca. 3360 en uiterlijk 1940 v. Chr. Rond 1500 voor Chr. raakte het Noordoostpoldergebied afgesloten van de zee en verloor het geulensysteem zijn (afwaterende) functie. 
 
De vindplaats bevond zich in het getijdengebied van de zee, aan de noordzijde van een oeverwal. De toenmalige bewoners bouwden in de kreek visweren om vis te vangen. Zo'n constructie bestaat uit een rij van tientallen palen die de ene oever met de andere verbindt. Tussen de palen, dwars op de stroomrichting, bevond zich een met twijgen gevlochten scherm waarin op verschillende plaatsen een fuik was bevestigd. Bij hoog water stroomde het brakke water in de kreek en konden de vissen de kreek inzwemmen. Zij werden door het scherm min of meer gedwongen om naar de opening van de trechtervormige fuik te zwemmen. Eenmaal in de fuik was er geen weg meer terug. Bij opgravingen in 1999 en 2000 zijn visresten verzameld. Uit onderzoek van deze visresten blijkt dat de vissen door het hele jaar heen gevangen werden, wat aangeeft dat de plek niet seizoensmatig werd bewoond.

Laatste Update zaterdag, 17 december 2016