Standbeeld ir. Lely

Standbeeld ir. Lely

Plaats: Den Oever

Locatie: Afsluitdijk 1

Kunstenaar: Mari Andriessen

Materiaal: brons

Jaar: 1954

Beschrijving:

Ter gelegenheid van zijn honderdste verjaardag werd op 23 september 1954 bij Den Oever een standbeeld van ir. Cornelis Lely onthuld door koningin Juliana. Aanvankelijk stond het kunstwerk, dat gemaakt is door beeldhouwer Mari Andriessen, aan de kop van de dijk. Vanaf zijn plaats, naast de Simon Stevinsluizen, keek Lely uit over zijn levenswerk de Afsluitdijk. Toen Rijkswaterstaat de rijksweg verdubbelde, kwam het kunstwerk in de middenberm te staan. In 2004 werd Lely van zijn sokkel gehaald en naar bronsgieterij Steylaert overgebracht. Daar werd van het beeld een afgietsel gemaakt dat geplaatst is op de zuil van Lely op het Stadhuisplein in Lelystad. Op 9 mei 2007 werd het originele kunstwerk herplaatst nabij het Vlietermonument. Ter gelegenheid van de 75e verjaardag van de Afsluitdijk werd het standbeeld van ir. Lely op 24 mei met behulp van een joystick virtueel door prins Willem-Alexander op de sokkel op zijn nieuwe plek geplaatst. Lely kijkt nu uit over het IJsselmeer in de richting van de IJsselmeerpolders en de stad die naar hem vernoemd is. Op de gedenksteen naast het standbeeld staat:

CORNELIS LELY
AMSTERDAMMER
ONTWIERP ALS INGENIEUR DER ZUIDERZEEVERENIGING
DE AFSLUITING EN DROOGLEGGING DER
ZUIDERZEE
WAAROP HIJ ALS MINISTER VAN WATERSTAAT IN 1918
DE GOEDKEURING DER STATEN-GENERAAL VERWIERF.
ONGEVALLENWET EN STAATSMIJNBEDRIJF
TELLEN ONDER HET VELE HEILZAME
DAT HIJ BEVORDERDE OF TOT STAND BRACHT.
HET NEDERLANDSE VOLK
RICHTTE HEM DIT STANDBEELD OP.
ONTHULD OP ZIJN EEUWFEEST 23 SEPTEMBER 1954 DOOR
KONINGIN JULIANA

Cornelis Lely werd op 23 september 1854 in Amsterdam geboren als zevende kind van graanhandelaar Jan Lely en Adriana van Houten. Zijn vader wilde dat hij dominee werd, maar Cornelis Lely wilde zelf na de H.B.S. civiele technieken studeren aan de Polytechnische School, de voorloper van de Technische Hogeschool in Delft. In 1875 behaald hij op 20-jarige leeftijd het diploma civiel ingenieur. Dat jaar trad Lely in dienst bij de "Nauwkeurigheidswaterpassing". De regering had besloten om van 1875-1885 een totaal nieuwe en uiterst nauwkeurige waterpassing te doen die het Normaal Amsterdams Peil (NAP) zou opleveren. De metingen werden uitgevoerd door meetploegen, bestaande uit twee ingenieurs en vier tot zes helpers. Lely kreeg hierbij tot taak de waterpassing te doen van de Grote Kerk in Deventer naar het hoofdmerk in de Muiderpoort in Amsterdam. Daarnaast werkte hij aan het ontwerp van een sluis bij Spaarndam. Eind 1876 werd Cornelis Lely buitengewoon opzichter bij de Staatsspoorwegen. Het daaropvolgende jaar werd hij in dezelfde rang te werk gesteld bij de Rijkswaterstaat in Zwolle, waar hij belast werd met de bouw van een keersluis in het Zwolse Diep. Zijn hoogste chef was hoofdingenieur Jacob van der Toorn (1828-1888). Tijdens deze werkzaamheden werd Lely door de minister van Rijkswaterstaat, Johannes Tak van Poortvliet, gevraagd om mee te helpen met de voorbereiding van de Kanalenwet, die moest zorgen voor een verbetering van de Nederlandse vaarwegen. Het plan voorzag onder meer in de aanleg van een kanaal dwars door de Gelderse Valei naar de rivier de Waal. Hierdoor zou Amsterdam rechtstreeks met het Duitse achterland verbonden worden. Met slecht één stem verwierp de Tweede Kamer in 1879 het wetsontwerp. Tak van Poortvliet stapte op als minister. Lely kon op het departement blijven werken.

In 1886 trad Lely in dienst van het Technisch Bureau van de Zuiderzeevereeniging. Hij werd assistent van hoofdingenieur Jacob van der Toorn, maar reeds in 1887 volgde Lely hem op als hoofd van het Technisch Bureau. Lely schreef 8 nota´s, waarin hij een volledig overzicht gaf van de mogelijkheden tot gedeeltelijke inpoldering van de Zuiderzee. Hij gaf zelf de voorkeur aan het plan met een afsluitdijk, een element dat tot dan toe door velen als onuitvoerbaar werd beschouwd. In 1891 werd Plan-Lely door de Zuiderzeevereniging aan de regering voorgelegd. Lely maakte met zijn plan zodanig naam dat de nieuwe premier Gijsbert van Tienhoven (1841-1914) hem in 1891 vroeg als minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid.

In 1897 werd Lely opnieuw minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Gedurende deze tweede ambtsperiode kwamen de Ongevallenwet (1900) en de Mijnwet (1901) tot stand, terwijl de aanleg van een nieuwe Scheveningse vissershaven en de verbetering van het Noordzeekanaal eveneens aan zijn wetgevende arbeid te danken was (1899). Een wetsontwerp voor de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee werd in 1901 bij de Tweede Kamer ingediend. In 1902 bood de minister van Koloniën Lely de functie van Gouverneur in Suriname aan. Het was op dat moment volkomen onduidelijk of het Zuiderzeeplan ooit verwezenlijkt zou worden. Voor Lely en zijn vrouw Mies waren de Surinaamse jaren zwaar. In 1905 eindigde de ambtstermijn in Suriname. Lely was weer in de Tweede Kamer verkozen, het gezin keerde terug naar Nederland.

Naast zijn ministerschappen bekleedde Lely ook andere openbare functies. Tussen 1894 en 1922 was hij lid van de Tweede Kamer, van 1910 tot 1913 lid van de Eerste Kamer, van 1909 tot 1910 lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland en tussen 1908 en 1913 lid van de gemeenteraad en wethouder van Den Haag. In 1913 begon Cornelis Lely aan zijn derde termijn als minister. Wetten ter bevordering van de Maaskanalisatie (1915), de verbetering van het Noordzeekanaal (1917), de Rotterdamse Waterweg (1919), de instelling van de postcheque- en girodienst (1916), verbetering van het wegennet en spoor- en tramwegen bereikten in deze periode het Staatsblad. Op 9 september 1916 diende Lely het wetsontwerp tot gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee bij de Tweede Kamer in. Op 21 maart 1918 werd de wet zonder hoofdelijke stemming door de Tweede Kamer aangenomen. Op 13 juni 1918 stemde de Eerste Kamer met de wet in. Al de volgende dag werd de Zuiderzeewet in het Staatsblad afgekondigd. 

Op 31 maart 1919 installeerde de toenmalige minister Adrianus König (1867-1944) de Raad van Waterstaat met ir. Lely als voorzitter. In 1926 werd Lely opnieuw gevraagd voor het ministerschap, maar de inmiddels 72-jarige ingenieur bedankte daarvoor. In plaats daarvan reisde hij de wereld rond om lezingen te geven over de Zuiderzeeplannen. 

In juni 1920 werden de eerste werkzaamheden voor de Zuiderzeewerken aanbesteed en gestart. In 1924 werd de 2,5 km lange Amsteldiepdijk voltooid. In 1926 maakte Lely met een groep hoogwaardigheidsbekleders een excursie naar het juist voltooide stuk afsluitdijk tussen het Noord-Hollandse vasteland en het toenmalige eiland Wieringen. Tijdens een wandeling over de dijk brak een stortbui los. De groep stapte in de bus, behalve ir. Lely. Hij beende voort in de striemende regen. Want dit was zijn dijk, volgens het plan dat hij veertig jaar eerder had ontworpen. Wie hem, door Mari Andriessen gebeeldhouwd, nu nog ziet staan op de dijk bij het Vlietermonument, kan ongeveer navoelen hoe Lely daar gelopen moet hebben. Een forse, stevige man op rubberlaarzen. Het klassieke ingenieurstype. Januari 1927 ging de daadwerkelijke aanleg van de Afsluitdijk van start. Vanaf een boot bekeek Lely in 1928 voor de laatste maal zijn vorderende levenswerk. Op 22 januari 1929 overleed ir. Cornelis Lely onverwachts op 74-jarige leeftijd in Den Haag. Lely werd door de schoonmaakster in zijn werkkamer gevonden, liggend op de grond naast zijn bureau. Hij was net begonnen aan een brochure over het toen nog aan te leggen Amsterdam-Rijnkanaal. 

Kunstenaar

Marie Silvester Andriessen is op 4 december 1897 in Haarlem geboren. Hij komt uit een kunstzinnig, Rooms-katholiek gezin. Zijn grootvader was kunstschilder, evenals zijn moeder Gesina Vester. Zijn vader, Nico Andriessen was organist, koordirigent en componist. Zijn broer Willem was een bekend pianist en broer Hendrik een vooraanstaand componist. Mari Andriessen toonde al vroeg aanleg voor beeldende kunst en kreeg privé les van de beeldhouwer Jan Bronner. Op aanraden van Donner studeerde hij van 1912 – 1916 op de Haarlemse School voor Kunstnijverheid. Daarna vervolgde hij zijn opleiding van 1917 – 1923 aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Na een jaar studie aan de Academie der Bildenden Künste in München vestigde hij zich eind 1922 voorgoed in Haarlem. Professor Donner blijft de ‘belangrijkste man’ in het leven van Mari Andriessen. Hij bracht hem begrip voor de ‘inhoud’ van het beeld bij, ontwikkelde zijn vormgevoel en schoolde hem in het ambacht van beeldhouwer. Van Donner leerde Andriessen dat een beeld duidelijk, helder en overzichtelijk moest zijn. Samen met Ger Lataster, Wessel Couzijn, Theo Mulder en Nic Jonk nam Mari Andriessen in 1963 het initiatief tot de oprichting van Academie '63, die later is omgezet in Ateliers '63.

Door zijn katholieke afkomst kwam Andriessen al snel in aanmerking voor opdrachten van kerken en woningbouwverenigingen. Deze opdrachten leverde weinig geld op. Andriessen en zijn gezin leefden in armoede. Zijn bekendheid groeide en langzaam kwamen er opdrachten van buiten de rooms-katholieke kring. Rond 1930 kon het gezin Andriessen van de kunst leven. In de Tweede Wereldoorlog raakte Andriessen actief bij het verzet betrokken. Na de oorlog kreeg hij veel opdrachten voor oorlogsmonumenten. Bekend zijn de ’Man voor het vuurpeleton’ in Haarlem (brons, 1949), de ‘Weduwe van Putten’ in Putten (kalksteen, 1949) en de ‘Dokwerker’ in Amsterdam (brons, 1952). Hij verwierf ook opdrachten voor grote monumenten ter ere van gedenkwaardige landgenoten zoals een beeld van Ir. C. Lely op de Afsluitdijk (brons, 1953), een beeld van Albert Plesman in Den Haag (brons, 1958) en een beeld van prinses en oud-koningin Wilhelmina (brons, 1967) in Utrecht. Ondanks vernieuwingen in de beeldhouwkunst bleef Marie Andriessen werken in de stijl waarin hij het beste was: heldere beeldopbouw en herkenbaarheid van zijn onderwerpen. 

Andriessen overleed in Haarlem op 7 december 1979, drie dagen na zijn 82verjaardag, aan kanker.

Laatste Update maandag, 29 januari 2018