Afsluitdijk

Afsluitdijk

Voordat de bouwwerkzaamheden aan de Afsluitdijk, het belangrijkste onderdeel van het Zuiderzeeproject, startte werd in juni 1920 gestart met de aanleg van een proef afsluitdijk, de 2,5 km lange Amsteldiepdijk tussen Noord-Holland en het eiland Wieringen. De dijkbouwers die dit geesteskind van ir. Lely gestalte moesten geven, konden in die tijd niet afgaan op theoretische kennis of computers. Ze konden slechts improviseren op basis van schaarse ervaringen. Probleem was welk materiaal men kon gebruiken voor een hecht dijklichaam. Op aanwijzing van vissers werd vlakbij het tracé van de dijk op de bodem van de Zuiderzee een voorraad keileem gevonden. Keileem is een overblijfsel uit het Saalien, de voorlaatste ijstijd, en bestaat uit een mengeling van klei en stenen wat de nodige stabiliteit opleverde. Het feit dat de eilanden Wieringen, Urk en Schokland in de 12e eeuw niet werden weggevaagd door de zee, kwam door hun keileembodem. Keileem bleek op zijn plaats te blijven bij stroomsnelheden tot 4 meter per seconde en daardoor het ideale materiaal om de Afsluitdijk van goede stevigheid te voorzien. 

Met de aanleg van Afsluitdijk werd in juni 1927 begonnen. Voor die tijd was dit een staaltje van waterbouwkundig vakmanschap dat de aandacht in de rest van de wereld aantrok. De aanleg van de Amsteldiepdijk was moeizaam verlopen. Ook de bouw van de 1800 m lange zeedijk van de 40 ha grote proefpolder bij het dorp Andijk verliep evenmin gesmeerd. Al snel bleek hoe belangrijk het was een duidelijk werkplan op te stellen, goede afspraken te maken met betrokken aannemers en hen te laten samenwerken. Een combinatie van vier grote aannemers werd opgericht, de Maatschappij tot Uitvoering van de Zuiderzeewerken ( M.U.Z.), met Johan Ringers (1885-1965) als directeur-hoofduitvoerder. In 1930 werd ir. Jan Lely (1939-1945), de oudste zoon van ir. Cornelis Lely, directeur-hoofduitvoerder van de M.U.Z. Het originele ontwerp voor de dijk stelde voor dat de Afsluitdijk niet bij Cornwerd, maar bij Piaam zou komen te liggen. Maar uit onderzoek bleek dat er bij de kust bij Piaam veel last was van storm en ook dat de ondergrond daar te slap zou zijn om het zware dijklichaam te dragen. Toen de Amsteldiepdijk gereed was verscheen in 1924 het eindrapport van de Staatscommissie Zuiderzee, ook wel aangeduid als Commissie Lorentz. Hierin werd aanbevolen het Friese uiteinde van de dijk in noordelijker richting te verplaatsen. Met de aansluiting bij Cornwerd waren de zeestromingen, o.a. bij Texel, beter te beheersen. Het is een hardnekkig misverstand dat de Commissie Lorentz ook verantwoordelijk zou zijn voor de knik in de dijk bij Kornwerderzand. Deze knik werd reeds in de jaren twintig door de dijkbouwers aangebracht om een 12 meter diepe geul met sterke stromingen loodrecht te kunnen kruisen. De uitwateringssluizen waren een belangrijk onderdeel van het plan en dienen om het overtollige water van het IJsselmeer (water van de IJssel en regenwater) bij eb op de Waddenzee te kunnen lozen. In 1930, respectievelijk 1931, werden de sluiscomplexen bij Den Oever (Noord-Holland) en Kornwerderzand (Friesland) in gebruik genomen. Deze zijn vernoemd naar Hendric Stevin (1614-1668), die zijn ideeën over het afsluiten van de Zuiderzee reeds in de 17e eeuw kenbaar maakte, en Hendrik Antoon Lorentz (1853-1928), die van 1918 tot 1926 de Staatscommissie Zuiderzeewerken leidde.

De kern van de Afsluitdijk werd gevormd door twee evenwijdig lopend keileem dammen. Tussen deze dammen werd een dikke laag zand gestort dat bijeengehouden werd door nog een laag keileem en klei. Deze tweede laag keileem ontbreekt aan de zijde van het rustigere IJsselmeer. Bovenop deze fundering werden zinkstukken afgezonken, grote gevlochten biezenmatten die gemaakt werden op een stuk grond direct aan het water. Als het vlechtwerk klaar was werd de mat met sleepboten naar de gewenste plek gesleept. Daarna werd de mat verzwaard met stortstenen waardoor het naar de bodem zonk. Dit afzinken moest gebeuren op een moment dat er geen getijdestroming was, dus tijdens de hoog- of laagwaterkentering. Wanneer het zinkstuk op z'n plaats lag, was het onderliggende dijklichaam beschermd tegen erosie door het stromende water. De stortstenen op hun beurt, zorgden ervoor dat het zinkstuk op zijn plaats bleef liggen en boden de dijk bescherming tegen golfslag. Bovenop de zinkstukken werd weer een laag keileem gestort die vervolgens werd afgedekt met basaltblokken.

Vijf jaar lang werd er met man en macht aan de 32 km lange Afsluitdijk gewerkt, zowel vanuit Noord-Holland als vanuit Friesland. Het dijklichaam heeft een breedte van 90 m op de waterlijn. Tussen 1928 en 1930 werkten er dagelijks ongeveer 4050 mensen aan de dijk en tussen 1930 en 1932 zelfs 5130. Op 28 mei 1932, precies om 13.02 uur omdat er toen sprake was van zogenaamd ‘dood tij’, werd bij de Vlieter het laatste gat in de dijk met keileem gedicht. Hiermee was de Zuiderzee verleden tijd en ontstond het IJsselmeer. Met de afsluiting van de Zuiderzee werd het mogelijk de geplande polders aan te leggen, de Wieringermeer in de jaren 1930, de Noordoostpolder in de jaren 1940 en Oostelijk- en Zuidelijk Flevoland in de jaren 1950 en 1960. Lely had in het IJsselmeer, vernoemd naar de rivier de IJssel die uitmondt in het binnenmeer, vijf grote polders getekend. In 2003 werd definitief besloten de Markerwaard niet meer aan te leggen. Het niet inpolderen van de Markerwaard heeft gevolgen gehad voor Lelystad. De provinciehoofdstad was centraal in de drie polders geprojecteerd, maar heeft nu een meer excentrische plek aan de zijkant van de twee wel aangelegde polders.

Bekijk 'De Bouw van de Afsluitdijk' (1.50 min). 

Klik op een plaatje om verder te gaan. 

 

Object: Reliëf Vlietermonument

maker: Hildo Krop

jaar: 1935

Object: Standbeeld ir. Lely

maker: Mari Andriessen

jaar: 1954

Object: De Steenzetter

maker: Ineke van Dijk

jaar: 1985
Laaste Update zaterdag, 06 januari 2018