Una Sancta

Una Sancta

Plaats: Espel

Locatie: Westrand 42-44

Architect: Jan Chr. Heese

materiaal: Baksteen, beton, glas, koper

Jaar: 1961-1962


Beschrijving:

In Espel waren net als in de andere dorpen in de Noordoostpolder drie kerken gepland maar van de bouw van een hervormde kerk is het niet gekomen. Nog voordat de eerste huizen in Espel gebouwd waren werden in de kantine van kamp Espel al kerkdiensten gehouden. Doordat de gereformeerden en hervormden al gezamenlijk van de kantinezaal gebruik maakten, besloot men samen één kerkzaal te stichten. Op 17 mei 1961 werd de eerste steen gelegd door de beide dominees. Het naar ontwerp van architect Jan Chr. Heese gebouwde protestantse kerkcentrum werd op 8 maart 1962 in gebruik genomen. Het architectonisch opvallende kerkgebouw heeft een prominente plaatsing aan het eind van de hoofdbrink. De kerk kreeg de naam Una Sancta dat ene heilige kerk betekent. Als tweede kerk in Nederland bood Una Sancta onderdak aan zowel de gereformeerde als de hervormde inwoners van het dorp. Gezamenlijke diensten bleven beperkt tot bijzondere gelegenheden en de kerkelijke feestdagen.

Halverwege de jaren vijftig groeide de behoefte naar kerkgebouwen met meer nevenruimten. De aandacht voor een meer wijkgerelateerde rol van de protestantse kerk na de oorlog leidde tot diverse oplossingen voor de plek van de nevenruimte. De Sancta Una is een vroeg voorbeeld van een protestants kerkgebouw waarbij een aantal nevenruimten als aparte kubische volumes tegen de kerkzaal zijn gebouwd. Het kerkcomplex behoort daarom tot het type doosvormige kerk. Op verzoek van de overheid werd de grote zaal zo ingericht dat deze als gymnastiekzaal kon worden verhuurd aan de gemeente Noordoostpolder. De gevels van het complex zijn opgetrokken van bruinrode en grijsgele baksteen. De nevenruimtes golden als een overgangsruimte tussen de buitenwereld en de kerk en waren afgezonderd van de liturgische ruimte die alleen bedoeld was voor de eredienst. De rechthoekige kerkzaal wordt geaccentueerd door een schaaldak inspringend op de muur. Het bijzonder vormgegeven dak met koperen dakbedekking is een speels accent in het verder strak vormgegeven ontwerp. Het interieur wordt gekenmerkt door beslotenheid.

Halverwege de jaren vijftig ontstonden er andere ideeën over liturgie. De nieuwe liturgie vereiste wijde ruimtes zonder veel franje en in plaats van architecturale structuur kreeg nu licht een bepalende rol in de kerkruimte om te zorgen voor een goddelijke en mystieke sfeer. Hier was ook de taak voor de architect weggelegd, want hij moest gaan zoeken naar manieren om een zee van stralend licht binnen te halen die de beleving van de liturgie kon ondersteunen. Bij het ontwerp van het protestantse kerkcentrum ging architect Jan Heese in zee met kunstenaar Harry op de Laak. Deze ontwierp in de noordelijke muur van de kerkzaal een smalle horizontaal gelede band glas die uitgevoerd is in de techniek van glasappliqué. Het rustige, aquarelachtige effect verkreeg de kunstenaar door verschillende transparante lagen gekleurd glas over elkaar heen te leggen. Door het gebruik van kleurloze en onzichtbare lijm en het versmelten van glaslagen ontstonden meer mogelijkheden en vrijere vormen dan bij het traditionele glas-in-lood. Door het verschil in dikte en overlap van kleur ontstaat een spel van kleur en licht. De acht glasappliqué ramen verbeelden het scheppingsverhaal, het verhaal over God die hemel en aarde heeft geschapen in zes dagen. Het verhaal begint met de schepping van het licht en eindigt met het hoogtepunt van de schepping, de mens geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Op het eerste raam heeft op de Laak de zon en de maan afgebeeld, vervolgens de vissen, vogels, planten en dieren. Op het zesde raam zijn een naast elkaar zittende man en vrouw te zien. Op de zevende dag was Gods schepping voltooid, en rustte hij. Behalve op dag twee eindigt iedere dag van het verhaal met: 'En God zag dat het goed was’. Deze tekst staat op het achtste raam. Het werk van Harry op de Laak kenmerkt zich door het abstraheren van de figuratie. 

In de achterwand van de kerkzaal bevindt zich glasappliqué-in-beton, een techniek waarbij het glas in beton werd gegoten. Het venster is uitgevoerd in blauwe, witte en gele tinten. In het midden zien we een hand die een witte duif loslaat. Harry op de Laak liet zich voor dit kunstwerk inspireren door de geschiedenis van Noach. De mensheid ontspoorde en God had spijt dat hij de aarde had geschapen. Hij koos voor een nieuw begin en liet de aarde onder water lopen. Alles wat leefden kwam om. Alleen Noach en zijn gezin overleefden de zondvloed door een ark te bouwen waarin zij van elk dier twee exemplaren meenamen en van sommige zeven. Het water zakte langzaam. Om te kijken of de aarde al droog was liet Noach een raaf uit, een aaseter, maar die keerde terug. Dan laat Noach een duif uit de ark vliegen, deze leeft van planten en zaden. De eerste keer vloog de duif rond en kwam terug naar de ark. De tweede keer kwam ze terug met een takje en een blad van de olijfboom. Bij de derde keer bleef ze weg. De glasappliqué-in-betonvensters zijn in dit kerkgebouw het focuspunt waaromheen de bouwmassa is gecreëerd. Aan de buitenmuur, precies ter hoogte van het glasappliqué-in-beton, maakte Op de Laak een wandreliëf met een verwijzing naar De Gelijkenis van de Zaaier. Het glasappliqué binnen en het kunstwerk buiten zijn onlosmakelijk met elkaar en met het gebouw verbonden. In het betonreliëf heeft Op de Laak acht openingen uitgespaard om licht door te laten voor het glasappliqué in de kerkzaal.

Het was destijds vernieuwend dat bij de bouw van de Una Sancta samenwerking was tussen de architect en een monumentaal kunstenaar. In de Protestante Kerk waren geen beelden of afbeeldingen aanwezig aangezien het woord het belangrijkste deel van de liturgie was. Oorzaak voor de wending was een rapport dat uitgebracht was aan de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, getiteld 'Beginselen van kerkbouw'. Door dit rapport ontstond hernieuwde belangstelling voor christelijke kunst, en kwam er een nieuwe visie op kunst vanuit de protestantse kerk. Er werd aandacht besteed aan de didactische waarde van kunst, de verbeelding van de Bijbel, omdat de mens destijds sterk visueel was ingesteld. Toegepaste kunst kreeg een voor de sober geachte Protestantse kerken een opvallend prominente plaats. 

Voor het kerkcomplex staat een uit beton/gipselementen opgebouwde vrijstaande toren. De kerktoren heeft een ronde grondvorm en is naar boven schuin afgesneden als vingerwijzing naar Boven. De toren, waarvan de bouw door de overheid werd gesubsidieerd, heeft als bijzonder element een klok als uitkraging. De overgang van de publieke/profane ruimte naar de sacraliteit van de kerk wordt gevormd door het afdak dat de toren met het ingangsportaal in de westgevel verbindt. Bij het binnenkomen van de kerk is er vanuit de entree visueel contact met de binnentuin. Deze tuin vormt een belangrijk element binnen de beleving van het kerkgebouw. Vanuit de kerkzaal is dit contact minder, maar in beide gevallen verwijst het contact naar de verheerlijking van het Koninkrijk Gods, de tuinen waarin God wandelt. De metalen roos die in de tuin staat is gemaakt door F. van der Heide. De gestileerde roos, die een geschenk van architect Jan Heese is, dient als symbool van liefde tussen God en de mens.

In de eerste jaren van 2000 is het kerkcentrum gerenoveerd en heeft een andere functie gekregen. De naam is veranderd in 't Mozaïek. Naar een ontwerp van de Haarlemse kunstenaar Piet Tuytel heeft de van oorsprong witte toren gekleurde strepen gekregen. De kleurstelling in rood en blauwe tinten vormen een afspiegeling van de leeftijd van de gebruikers. .

Laatste Update maandag, 19 juni 2017